Paragraaf 1.3 - Practicum

1.3 Practicum
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 5 min

Onderdelen in deze les

1.3 Practicum

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
1.3.1 Je kunt practicummateriaal herkennen.
1.3.2 Je kunt de toepassing van practicummateriaal benoemen.
1.3.3 Je kunt de veiligheidsregels en veiligheidsmiddelen bij practicum noemen.
1.3.4 Je kunt de werking van de brander uitleggen.

Slide 2 - Tekstslide

Introductie
Onderzoek doen en proeven doen hoort bij natuurkunde en scheikunde. Bij proeven zijn er regels voor de veiligheid waar je je altijd aan moet houden.

Slide 3 - Tekstslide

Practicummateriaal



Onderzoek doen bij natuurkunde en scheikunde noem je practicum. Bij practicum onderzoek je natuurverschijnselen. Meestal heb je dan meetgereedschap nodig. Je hebt vaak ook andere dingen nodig. De spullen die je bij practicum gebruikt, noem je practicummateriaal. Er zijn veel verschillende soorten practicummaterialen (afbeelding 1).

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

In afbeelding 6 zie je vier soorten practicummaterialen van glas.
Hoe heet glas 3?
A
maatcilinder
B
bekerglas
C
kookkolf
D
erlenmeyer

Slide 6 - Quizvraag

In afbeelding 6 zie je vier soorten practicummaterialen van glas.
Hoe heet glas 4?
A
maatcilinder
B
bekerglas
C
kookkolf
D
erlenmeyer

Slide 7 - Quizvraag

Waarvoor gebruik je een reageerbuisknijper?

Slide 8 - Open vraag

Veiligheid




Tijdens een practicum werk je soms met vuur of je gebruikt gevaarlijke stoffen. Soms werk je met elektriciteit. Als er iets fout gaat, dan kan iemand gewond raken. Daarom is veiligheid erg belangrijk. Je moet altijd voorzichtig werken bij practicum. Je moet je daarom houden aan de veiligheidsregels (afbeelding 2)

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

De veiligheidsregels zijn:
• Luister naar je leraar en doe wat je leraar zegt.
• Niet duwen, trekken of rennen in het lokaal.
• Niet eten of drinken in het lokaal.
• Leg geen tas of andere spullen waar mensen moeten lopen.
• Draag een veiligheidsbril als dat nodig is.
• Bind lang haar in een staart als je met vuur werkt.
• Werk altijd voorzichtig, vooral met scheikundige stoffen.
• Ruik alleen voorzichtig aan onbekende stoffen.
• Proef nooit van stoffen.
• Als er iets fout gaat, dan moet je meteen je leraar waarschuwen.

Slide 11 - Tekstslide

Bij practicum heb je verschillende veiligheidsregels.
Noteer drie veiligheidsregels.

Slide 12 - Open vraag

Bij practicum moet je weten waar de veiligheidsmiddelen voor dienen. In de meeste practicumlokalen zijn de volgende veiligheidsmiddelen aanwezig:
• de brandblusser, hiermee blus je een beginnende brand;
• de branddeken, hier kun je iemand in wikkelen als zijn kleding in brand staat (afbeelding 3);
• de oogdouche of oogwasfles, hiermee spoel je je ogen schoon als je er bijtende stof in hebt gekregen;
• de nooddouche, hier kun je onder gaan staan als je een bijtende stof over je heen hebt gekregen;
• de nooddeur, een deur die bestemd is om het lokaal te ontvluchten;
• de noodstop, een rood met gele knop die het gas en de elektriciteit afsluit als je hem indrukt.

Je leraar vertelt waar deze veiligheidsmiddelen in het lokaal zijn. Hij vertelt ook hoe je ze moet gebruiken.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

De brander

Bij practicum moet je soms iets verwarmen. Daarvoor gebruik je een brander. De brander werkt op gas. Op de brander zit een gaskraan (afbeelding 4). Met de gaskraan laat je meer of minder gas in de brander. De vlam wordt dan groter of kleiner. Je kunt deze kraan ook helemaal dicht draaien.

Gas kan alleen branden als er zuurstof bij komt. Zuurstof zit in de lucht. De lucht komt door de luchtschijf (afbeelding 4) bij het gas. Met de luchtschijf laat je meer of minder lucht bij het gas. In de schoorsteen worden het gas en de lucht gemengd, zodat de vlam bovenaan de schoorsteen goed kan branden.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Drie vlammen
Met de brander kun je drie soorten vlammen maken:
De pauzevlam (afbeelding 5a) gebruik je als je de brander even niet nodig hebt. Een pauzevlam is geeloranje. De pauzevlam is goed zichtbaar, zodat je je niet per ongeluk verbrandt aan de vlam. Voor een pauzevlam draai je de gaskraan een beetje open en blijft de luchtschijf dicht.
De stille blauwe vlam (afbeelding 5b) gebruik je als je iets warm moet houden. Ook gebruik je de stille blauwe vlam als je een kleine hoeveelheid moet verwarmen, bijvoorbeeld een klein beetje water. Voor een stille blauwe vlam open je de gaskraan en de luchtschijf een beetje.
De ruisende blauwe vlam (afbeelding 5c) is heel heet. Een ruisende blauwe vlam gebruik je als je iets flink moet verwarmen. Ook gebruik je de ruisende blauwe vlam om een grote hoeveelheid te verwarmen. Bijvoorbeeld om een liter water te koken. Voor een ruisende blauwe vlam draai je de gaskraan en de luchtschijf ver open.

Slide 18 - Tekstslide

Wanneer gebruik je een pauzevlam?
Als je de brander................
A
een paar minuten nodig hebt
B
tien minuten niet nodig hebt

Slide 19 - Quizvraag

Wanneer gebruik je een ruisende blauwe vlam?
Als je een................
A
grote hoeveelheid vloeistof moet verwarmen.
B
kleine hoeveelheid vloeistof moet verwarmen.

Slide 20 - Quizvraag

Als je een brander aansteekt, moet de luchtschijf,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,, zijn.
A
open
B
dicht

Slide 21 - Quizvraag

Carolien stoot per ongeluk haar brander om. De vlam van de brander blijft branden.
Carolien raakt in paniek.
Jij blijft kalm, want je weet wat je als eerste moet doen.
A
Je pakt de brander vast en zet hem rechtop
B
Je giet een bekerglas water op de brander.
C
Je maakt de gaskraan op haar tafel dicht.
D
Je pakt de brandblusser en spuit op de brander

Slide 22 - Quizvraag

Opdrachten
Wat: lees paragraaf 1.3
Huiswerk: opdrachten 1 t/m 14 van paragraaf 1.3 & Test jezelf
Hoe: helemaal stil! muziek mag in!
Hulp: Geen
Tijd: 50 minuten lang
Klaar?: ga bezig met een ander vak! 

Slide 23 - Tekstslide