cross

Pulsar hst 6 Het weer VMBO-T3 par. 3 Neerslag

Hst 6 par. 3 Neerslag
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkundevmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Hst 6 par. 3 Neerslag

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Je gaat leren:
  • hoe wolken ontstaan
  • wat condensatiekernen zijn
  • hoe neerslag ontstaat
  • wat het dauwpunt is
  • welke verschillende soorten wolken er zijn
  • welke soorten neerslag er zijn

Slide 2 - Tekstslide

Indeling van de les
  1. opstarten
  2. zelfstandig de lessonup doorwerken
  3. lezen theorie in boek
  4. maken van opgaves
  5. afsluiting

Slide 3 - Tekstslide

Even herhalen: In welke drie fasen komt water voor in de atmosfeer?

Slide 4 - Open vraag

Hoe heet de overgang van de vaste fase naar de vloeistoffase?
A
smelten
B
stollen
C
sublimeren
D
condenseren

Slide 5 - Quizvraag

Hoe heet de overgang van de vaste fase naar de gasfase?
A
sublimeren
B
vervluchtigen
C
condenseren
D
rijpen

Slide 6 - Quizvraag

Zijn faseovergangen een natuurkundig of scheikundig proces? Leg uit

Slide 7 - Open vraag

Faseovergangen

Slide 8 - Tekstslide

Het ontstaan van wolken

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Condensatie en condenstatiekernen
  • Waterdamp gaat in de lucht condenseren bij een bepaalde temperatuur,  het dauwpunt.
  • Condensatiekernen zijn deeltjes in de lucht zoals stof en roet, waarop waterdamp sneller kan condenseren.
  • Door condensatie ontstaan kleine waterdruppeltjes, deze blijven in de lucht zweven.
  • Veel kleine druppeltjes samen vormen een wolk.
  • Bij condensatie vlak boven de grond spreken we van mist.

Slide 11 - Tekstslide

De hoeveelheid water die koude lucht kan bevatten is groter / kleiner dan in warme lucht
A
groter
B
kleiner

Slide 12 - Quizvraag

Hoe heet de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren?

Slide 13 - Open vraag

Hoe ontstaat neerslag?
Bekijk het  filmpje op de volgende slide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Als er op één dag 12,5 mm regen valt, hoeveel liter is dat dan per vierkante meter?
A
0,125 L
B
12,5 L
C
1,25 L
D
125L

Slide 16 - Quizvraag

Soorten wolken
Er bestaan verschillende soorten wolken, kijk maar eens buiten naar boven of op het plaatje hiernaast.
Je hoeft de namen niet uit je hoofd te leren, maar we gaan wel verder in op één daarvan.

Slide 17 - Tekstslide

Het dauwpunt
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij de lucht met waterdamp verzadigd is, zodat er wolkenvorming of dauwvorming optreedt zodra de temperatuur bij gelijkblijvende dampdruk daalt.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Welke begrip geeft aan op welke hoogte een wolk ontstaat?
A
isobaar
B
convectiestroming
C
condensatieniveau
D
dauwpunt

Slide 21 - Quizvraag

Welke begrip geeft de maximale hoeveelheid waterdamp in de lucht aan?
A
isobaar
B
convectiestroming
C
condensatieniveau
D
dauwpunt

Slide 22 - Quizvraag

Verdeling in wolk
In het plaatje hiernaast zie je in welke fase de watermoleculen zich bevinden bij een bepaalde temperatuur.

  • Hoe hoger in de lucht, hoe lager de temperatuur is.

  • Er valt geen neerslag als de lucht omhoog stroomt, de lichte druppels en ijskristallen worden weer omhoog gestuwd.

  • Als de druppels of ijskristallen te zwaar zijn om omhooggestuwd te worden valt er wel neerslag

Slide 23 - Tekstslide

Neerslag
  • Er valt geen neerslag als de lucht omhoog stroomt, de lichte druppels en ijskristallen worden weer omhoog gestuwd.
  • Als de druppels of ijskristallen te zwaar zijn om omhooggestuwd te worden valt er wel neerslag.

  • Is de temperatuur onder de wolk hoger dan 0 graden Celcius dan valt er regen, hagel of sneeuw.
  • Vallen de druppels door een luchtlaag die onder het vriespunt ligt, dan raken de druppels onderkoeld.
  • Komen de onderkoelde druppels op een bevroren oppervlakte dan ontstaat ijzel

Slide 24 - Tekstslide

Wanneer valt er sneeuw?
  • Bij een temperatuur van -12 graden Celsius in de wolk rijpt de waterdamp tot kristallen.
  • Hierbij zijn ook kristallisatiekernen (bv stofdeeltjes) nodig.
  • de ijskristallen groeien uit tot sneeuwvlokken.
  • Als ze zwaar genoeg zij vallen ze naar beneden.
  • Alleen bij een lage temperatuur blijven de kristallen bestaan, anders smelten ze en valt er regen.

Slide 25 - Tekstslide

Wanneer valt er hagel?
  • Hagelsstenen ontstaan op grote hoogte.
  • Hier zijn sterke daal- en stijgstromen die de kristallen meevoeren.
  • Als ze in het deel van de wolk komen waar de temperatuur                              0 graden Celcius is, dan groeien de kristallen aan  (onderkoelde waterdruppels).
  • De ijskorrels worden dan zo zwaar dat ze naar beneden vallen

Slide 26 - Tekstslide

Wanneer ontstaan er onderkoelde regendruppels?
A
Bij een temperatuur hoger dan 0 graden Celsius
B
Bij een temperatuur lager dan 0 graden Celcius
C
Bij een temperatuur van 0 graden Celsius

Slide 27 - Quizvraag

Klopt de volgende bewering?
Sneeuwvlokken ontstaan uit ijskristallen die tijdens het rijpen van waterdamp in een wolk.
A
ja
B
nee

Slide 28 - Quizvraag

Lesdoelen gehaald?
je weet nu:
  • hoe wolken ontstaan
  • wat condensatiekernen zijn
  • hoe neerslag ontstaat
  • wat het dauwpunt is
  • welke verschillende soorten wolken er zijn
  • welke soorten neerslag er zijn

Slide 29 - Tekstslide

Lees eerst de theorie in het boek nog door!

Ga dan verder met het maken van de opgaven uit het boek. Kijk in SOM welke je moet maken.

Slide 30 - Tekstslide