Vocab game Unit 1

Welcome back 4A

     Welcome back

2

minute

00

second

1 / 39
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEngelsISK

In deze les zitten 39 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Welcome back 4A

     Welcome back

2

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

How are you feeling today?

Deze slide heeft geen instructies

Today

  • Newsround

  • Vocab game (in duo's)

  • Kahoot (of we have time left)


Houd deze dia kort. Het doel is alleen de lesstructuur helder maken. De rest van de uitleg richt zich op A1-grammatica, terwijl A2/B1 zelfstandig of met korte begeleiding aan schrijfopdrachten werkt.




Newsround


Houd deze dia kort. Het doel is alleen de lesstructuur helder maken. De rest van de uitleg richt zich op A1-grammatica, terwijl A2/B1 zelfstandig of met korte begeleiding aan schrijfopdrachten werkt.

Vocab game Rules

  • Do not shout the answer if you know it! whisper it to your neighbor (or group members).

  • No cheating --> Phones/laptops/books = disqualification

  • Spelling needs to be correct.

  • I decide if you get a point or not!

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch

Test round!



ANSWER

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



COUNTRY

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



CLASSROOM

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



PASSWORD

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



A PIECE OF

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



CLEVER

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



SHORTLY

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



SIDE DISH

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



DIARY

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



AMERICAN

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



TIMETABLE

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



CRISPY

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



PE

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



TO MAKE FRIENDS

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



LIBRARY

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

English - Dutch



FRESH

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



ENGELS

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



HUISWERK

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



AARDBEI

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



LERAAR

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



LINKS

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



VRAGEN

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



SOEP

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



PAUZE

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



SINAASAPPEL

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



LEREN

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



LES

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



KNOFLOOK

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



RECHTS

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



RUGTAS

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



POTLOOD

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

Dutch - English



SCHRIJVEN

1

minute

00

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

BONUS POINTS



LUISTEREN

1

minute

30

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.

BONUS POINTS



HOUSE

1

minute

30

second

Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.