9.2 Goed geregeld

9.2 De lever
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

9.2 De lever

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag:
- Nieuwe uitleg paragraaf 9.2
- Gelegenheid tot vragen stellen.

- Zelfstandig werken met de opdrachten van 9.2. 

Slide 2 - Tekstslide

Het 'biologische momentje' van de dag...
Waarom worden blauwe plekken geel?
  • Blauwe plekken ontstaan ​​wanneer heel  kleine
     bloedvaten breken vanwege een trauma aan de huid.
  • Rode bloedcellen komen vrij en komen tussen de cellen
     (weefsel) terecht.
  • Hemoglobine, bevat ijzer, komt vrij in het lichaam na de
     afbraak van de rode bloedcellen.


  • Hemoglobine wordt uiteindelijk afgebroken tot bilirubine,
     dat geel is. Het geel verdwijnt langzaam omdat je lichaam
     die stoffen verder afbreekt.

Slide 3 - Tekstslide

Check van vorige week:
Welke genotsmiddelen hebben we vorige week besproken?

Slide 4 - Open vraag

Voorkennis:
Deze paragraaf gaat vooral over de lever en de nieren.

Welke functies hebben de lever en de nieren?

Slide 5 - Open vraag

Regelingen menselijk lichaam: blz. 79
  • Lichaamsprocessen → Constante behouden door regelkringen
     (zie bron 3 blz. 79 KK).
  • Reageren op veranderingen – veranderingen opheffen.
  • Graadmeter: Bloed.
      - Zintuigen meten, (bijv CO2-zintuigcellen)
      - Waarden vergelijken met norm, (via hersenen)
      - Afwijking norm? Reactie (bijv. ademfrequentie)
      - Waarden komt weer op constante. (4 ml CO2 per 100 ml)


Evt. via hormonen (regelstoffen)

Slide 6 - Tekstslide

Zuurstof gaat hier de lever in
Veel voedingsstoffen komen de lever binnen
Hier mondt de galgang in uit
Bloed stroomt de lever uit
Poortader
Leverader
Leverslagader
Twaalfvingerige darm

Slide 7 - Sleepvraag

De lever: 
  • Lever bestaat uit 8 segmenten met volledige
     functionaliteit. 
  • ± 500 functies in 4 soorten processen;
      -  opbouwen en omzetten,                  - afbraak,
      - afvoer,                                                        - opslag
  • Controle (constant houden) bloed.
  • Aanvoer bloed via: leverslagader + poortader 
                                                           ↓                            ↓
                                                         O2                 voedingsstoffen
  • (bron 8 blz. 82 KK).
  • Transplantatie: gedeelte lever kan weer uitgroeien tot een hele. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Om je glucose hoeveelheid te regelen werkt je lever samen met een ander orgaan. Welk orgaan is dit?
A
Galblaas
B
Dunne darm
C
Alvleesklier
D
Maag

Slide 10 - Quizvraag

Opslag:
  • Glucose opslaan als glycogeen.
  • Zie glucose wip-wap blz. 81
  • Hemoglobine → ijzer.

  • Glucose = brandstof.
  • Geregeld via 2 hormonen.
    - insuline
    - glucagon
  • Alvleesklier - eilandjes Langerhans. Zie Bron 4 blz. 80 KK
  • LR Bron 6 blz. 81 KK 


Slide 11 - Tekstslide

Werking glucose wip-wap: Stijging glucose:
  1. Normaal hoeveelheid glucose.


  2. Eten – glucose stijgt – alvleesklier geeft insuline af.


  3. Insuline: opname glucose in cellen voor verbranding
    + opslag (overige) glucose in lever en spieren.


  4. Glucose wordt omgezet in glycogeen voor opslag.


  5. Glycogeen is lange ketting van glucose (zetmeel).
  6. Glucose daalt tot normaal.

Slide 12 - Tekstslide

Als de glucoseconcentratie in je bloed te laag is, wordt....
A
minder glucagon afgegeven en minder insuline afgegeven
B
meer glucagon afgegeven en minder insuline afgegeven
C
minder glucagon afgegeven en meer insuline afgegeven
D
meer glucagon afgegeven en meer insuline afgegeven

Slide 13 - Quizvraag

Werking glucose wip-wap: Daling glucose:
  1. Glucose daalt onder ‘normaal’ – alvleesklier geeft glucagon af.


  2. Door glucagon wordt glycogeen omgezet in glucose.


  3. Lever geeft glucose af.


  4. Hoeveelheid glucose stijgt tot ‘normaal’.


  5. Bron 5 en 6 blz. 80/81 KK!!!

Slide 14 - Tekstslide

Als je diabetes hebt wordt dit niet gemaakt?
A
Glucagon
B
Insuline
C
Glucose
D
Hormonen

Slide 15 - Quizvraag

Suikerziekte/diabetes
  • Type 1: te weinig of geen insuline aangemaakt.
      - Cellen eilandjes Langerhans werken niet (goed).
  • Type 2: cellen ongevoelig voor insuline.
      - Hormoon werkt niet goed meer.
  • Te veel glucose.
  • Nieren filteren glucose eruit → urine.
  • Tussendoor glucosetekort → moe, flauwvallen.


  • Hyper = bij teveel glucose in het bloed.
      Hypo = bij te weinig suiker in het bloed.

Slide 16 - Tekstslide


Wie heeft diabetes?
Michel of Monique?
A
Michel
B
Monique

Slide 17 - Quizvraag

Een symptoom van diabetes mellitus is veel urineren.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quizvraag

Afvoer: 
  • Afbraak rode bloedcellen in milt en lever.

  • Hemoglobine → bilirubine (gele stof).

  • Bilirubine in lever gemengd met gal.
     (zorgt voor kleur ontlasting).

Slide 19 - Tekstslide

Welke stoffen kan een lever opbouwen en omzetten?
A
aminozuur naar eiwit ijzer naar rode bloedcel
B
aminozuur naar eiwit glucose naar vet
C
aminozuur naar eiwit alcohol naar glucose
D
aminozuur naar eiwit gal naar hemoglobine

Slide 20 - Quizvraag

Opbouwen en omzetten:
  • Eiwitten (maag) → aminozuren (lever) → nieuwe eiwitten.
     (aminozuur is bouwsteen eiwit)
  • Glucose → vet.
  • Vet → cholesterol.


  • Verstopte bloedvaten
    (hartinfarct/beroerte/atherosclerose

Slide 21 - Tekstslide

Het volgende proces is 'afbraak'.

Waarom is het goed en handig dat je lichaam giftige stoffen (alcohol, medicatie etc.) kan afbreken?

Slide 22 - Open vraag

Afbreken:
  • Giftige stoffen: alcohol, drugs, medicijnen
      (tijdelijke effecten).

  • Teveel aan aminozuren afbreken → ureum.

  • Ureum → uitscheidingsstelsel → nieren.

Slide 23 - Tekstslide

De nieren

  • LR Bron 11 en 12 blz. 84 KK.
  • Filteren/zuiveren bloed.
  • Afvalstoffen (leverproducten zoals:
     ureum, overtollige, overbodige stoffen) + water = urine.
  • Nierslagader – nefronen in niermerg – haarvaten als filter – bloeddruk drukt bloedplasma uit haarvat = filtratie – voorurine – nierkanaaltje – resorptie stoffen / osmose water – urine – verzamelbuisje – nierbekken – urineleiders – blaas – urinebuis.

Slide 24 - Tekstslide

En nu?

Nog vragen?

Zelfstandig online werken aan de opdrachten van paragraaf 9.2

Slide 25 - Tekstslide