8.3 democratisering

8.3 Democratisering
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

8.3 Democratisering

Slide 1 - Tekstslide

Periode
Prehistorie
Oudheid
Middeleeuwen
Vroegmoderne tijd 
Moderne tijd: 1800 - heden

Slide 2 - Tekstslide

Tijdvak
Tijd van ontdekkers en hervormers (16e eeuw)
Tijd van regenten en vorsten
(17e eeuw)
Tijd van pruiken en revoluties
(18e eeuw)
Tijd van burgers en stoommachines
(19e eeuw)

Slide 3 - Tekstslide

Kenmerkend aspect 
Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces




  

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoelen:
Aan het einde van deze uitleg:

- kun je uitleggen hoe de democratie zich ontwikkelde in Nederland.
- kun je uitleggen hoe de democratie zich ontwikkelde in Groot-Brittannië.
- kun je uitleggen hoe de democratie zich ontwikkelde in Duitsland.

Slide 5 - Tekstslide

Wat weet je al?
In de democratische revoluties (7.3) werd gevochten voor democratische rechten. In de Bataafse Republiek kwam algemeen mannenkiesrecht, maar dat werd door Napoleon afgeschaft. In andere landen bleef kiesrecht beperkt tot een klein groepje rijke burgers.

In 8.2 en 8.4 heb je geleerd dat er politiek-maatschappelijke stromingen ontstaan die ideeën hebben over bestuur, kiesrecht en de samenleving.

Slide 6 - Tekstslide

Democratisering
(in mijn woorden) = het proces waarbij er steeds meer mensen mee mogen doen aan de democratie (door stemrecht en kiesrecht)
In Europa: vanaf ca. 1815 tm 1819 

Slide 7 - Tekstslide

Democratie in Nederland
1815 - 1848: Koninkrijk der Nederlanden is een constitutionele monarchie met een volksvertegenwoordiging (de Staten Generaal). In praktijk: kleine groep rijkste burgers politieke inspraak en koning nauwelijks beperkt door grondwet.

"Revolutiejaar" 1848: Koning Willem II bang voor liberale opstand in NL => neemt zelf initiatief => vraagt liberaal Thorbecke een nieuwe (liberale!) grondwet te schrijven:
  • Nederland voortaan een parlementair stelsel.
  • Regering o.l.v. premier (minister-president).
  • Regering verantwoording schuldig aan volksvertegenwoordiging.
  • Censuskiesrecht (alleen wanneer je veel belasting kon betalen mocht je stemmen = ca. 1/8)

Slide 8 - Tekstslide

Democratisering NL
1887: (kleine) uitbreiding kiesrecht.

1917: Algemeen mannenkiesrecht + 
Algemeen passief kiesrecht voor vrouwen

1919: Algemeen vrouwenkiesrecht (nu ook actief kiesrecht)

Vanaf 1919 dus: Nederland een constitutionele monarchie met een parlementaire democratie en algemeen kiesrecht.


Slide 9 - Tekstslide

Democratie in Groot-Brittannië
- Sinds de Glorious Revolution (1689) (6.3) moest de koning luisteren naar het parlement. Koning mocht wel zelf ministers benoemen en ontslaan.
- 1837: Koningin Victoria wordt beperkt in haar macht (18 jaar + vrouw =.            ).     Voortaan ministers bepaald door winnende partij in verkiezingen.

- Brits parlement bestaat uit:
   Hoger huis = hierin edelen die plaats krijgen vanwege adelijke titel ("House of Lords")
   Lager huis = gekozen vertegenwoordigers (burgers) uit de districten ("House of commons") 
- In GB een districtenstelsel: gevolg dat er maar 2 partijen steeds gekozen werden:
tot 1914: de Conservatieve Partij en de Liberale Partij
vanaf 1918: Conservatieve Partij en Labour Party (sociaaldemocraten)

Slide 10 - Tekstslide

Democratisering in GB
1832: uitbreiding mannenkiesrecht
1867: uitbreiding mannenkiesrecht
1918: algemeen mannenkiesrecht
1928: algemeen vrouwenkiesrecht



Vanaf 1928 dus: Groot-Brittannië een constitutionele monarchie met een parlementaire democratie en algemeen kiesrecht.

Slide 11 - Tekstslide

Democratie in Duitsland
- Pruisen: tot 1848 (verlicht) absolutisme zonder grondwet.
- "Revolutiejaar" 1848: bloedige opstanden in Berlijn => koning geeft toe aan liberalen (en wil "rode" socialistische revolutie - die ook dreigde - voorkomen) => Pruisen voortaan een constitutionele monarchie met een nationaal parlement. Koning beloofd ook een Duitse natiestaat (= alle Duitse staten verenigd, zie 8.2 "agressief nationalisme").
- 1850: Grondwet voor Pruisen en gekozen parlement (die had alleen budgetrecht)
- v.a. 1861: Bismarck vind liberalen en parlementaire  discussies lastig: wil doen wat hij wil als kanselier => conflicten tussen Bismarck en liberalen.
Door gewonnen oorlogen (zie 8.2) en groei nationalisme gaan veel liberalen Bismarck toch steunen.
- 1871: Duitse keizerrijk gesticht - grondwet van Bismark legt macht weer bij vorst en adel.

Slide 12 - Tekstslide

Democratisering DU
In Duitse Keizerrijk (1871 - 1919) had het parlement (de Rijksdag) beperkte rechten.
Bismarck voerde algemeen mannenkiesrecht in (verwachtte dat volk conservatief stemde).
Volk stemde Centrumpartij en SPD (zie 8.2 en 8.4). Adel behield door grondwet grootste macht.

1919: einde keizerrijk => Duitsland een Republiek met grondwet (zie tijdvak 9)

Slide 13 - Tekstslide

Sleep de beschrijving naar het bijpassende land
Nederland
Groot-Brittannië
Duitsland
1919: algemeen kiesrecht
1928: algemeen kiesrecht
Districtenstelsel
Rijksdag
Staten-Generaal
Lagerhuis
censuskiesrecht
Eenheid in 1871

Slide 14 - Sleepvraag

Vragen:

Democratisering...
  1. Wat is het?
  2. Waar slaagde het?
  3. Waar niet?


Wat hebben de volgende jaartallen met (al dan niet slagen van) democratisering te maken?
  • 1815
  • 1848
  • 1871
  • 1919

Slide 15 - Tekstslide