Passé composé

Bonjour 2tvm
Ga rustig zitten
Leg je spullen op tafel.
Laat je boek dicht
We gaan zo beginnen met 5 minuten stil werken.
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Bonjour 2tvm
Ga rustig zitten
Leg je spullen op tafel.
Laat je boek dicht
We gaan zo beginnen met 5 minuten stil werken.

Slide 1 - Tekstslide

Prenez:
- votre livre (page 16)
- le cahier de grammaire
- un stylo

Slide 2 - Tekstslide

Je werkt STIL en ZELFSTANDIG.
Je stelt GEEN vragen.
  • lire TB page 20
  • faire exercice 13

Slide 3 - Tekstslide

le programme de Jeudi
  • les devoirs
  • lire texte TB page 20
  • grammaire > passé composé
  • faire des exercices
  • les devoirs
lesdoel
Ik ken alle 15 vormen van het bezittelijk voornaamwoord.

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen
(1) "Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er goed vervoegen"
(2) "Ik kan de passé composé van de werkwoorden avoir, être en faire goed vervoegen"

Slide 5 - Tekstslide

Welke zin staat in de passé composé?
A
Je vais écouter de la musique.
B
J'ai regardé la télé.
C
J'adore les frites.
D
Je veux manger une glace.

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent de zin "J'ai regardé la télé"?

Slide 7 - Open vraag

Wat is de passé composé-vorm van het werkwoord "changer"?
A
change
B
changes
C
changez
D
changé

Slide 8 - Quizvraag

Welk werkwoord heb je ALTIJD nodig bij het maken van een passé composé?
A
être
B
faire
C
avoir
D
aller

Slide 9 - Quizvraag

Il a trouvé un livre.
Nous avons écouté une chanson.
J'ai oublié mon livre.
Tu as fermé la porte?

Slide 10 - Tekstslide

Noteer een zin in de passé composé

Slide 11 - Woordweb

"Ik kan werkwoorden op - er juist vervoegen in de passé composé"
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quizvraag

2 routes
A. "Ik kan werkwoorden op -er in de passé composé vervoegen" > groene route
B. "Ik kan werkwoorden op -er nog niet goed in de passé composé vervoegen > witte route

Slide 13 - Tekstslide

Groene route
1.  Schrijf en vertaal in je grammaticaschrift (cahier de grammaire) de werkwoorden avoir en être naar het Nederlands.
2. Noteer in je schrift van twee verschillende werkwoorden op -er de passé composé. Vergeet het hulpwerkwoord niet! 

Slide 14 - Tekstslide

Maak opdracht  texto 12 (p. 17) 

Slide 15 - Tekstslide

Avoir - Être - Faire
AVOIR
ÊTRE
FAIRE
J'ai eu
J'ai été
J'ai fait
Tu as eu
Tu as été
Tu as fait
Il/Elle/On a eu
Il/Elle/On a été
Il/Elle/On a fait
Nous avons eu
Nous avons été
Nous avons fait
Vous avez eu
Vous avez été
Vous avez fait
Ils/Elles ont eu
Ils/Elles ont été
Ils/Elles ont fait

Slide 16 - Tekstslide

Avoir
avoir = hebben          eu = gehad
(eu is namelijk de passé composé-vorm van avoir)

Tu as eu = Jij hebt gehad
Vous avez eu = Jullie hebben gehad / U heeft gehad
Etc.

Slide 17 - Tekstslide

Être
être = zijn         été = geweest 
(été is namelijk de passé composé-vorm van être)

J'ai été = Ik ben geweest
Nous avons été = Wij zijn geweest
Etc.

Slide 18 - Tekstslide

Faire
faire = doen/maken         fait = gemaakt/gedaan
(fait is namelijk de passé composé-vorm van faire)

Il a fait = Hij heeft gemaakt/gedaan
Elles ont fait du foot = Zij hebben gevoetbald  (want: het hele werkwoord is faire du foot)
Etc.

Slide 19 - Tekstslide

Cahier de grammaire
Vul nu het rijtje van de passé composé in van de werkwoorden avoir, être en faire.

Slide 20 - Tekstslide

Livre 
1.  maak opdracht Roman Photo 15a en 15b
2. ga verder met de opdrachtenRoman Photo t/m 16.

Slide 21 - Tekstslide

Witte route (klassikaal)

Slide 22 - Tekstslide

Wat zijn werkwoorden op -er?

Slide 23 - Tekstslide

Wat zijn werkwoorden op -er?
parler, trouver, changer, écouter, travailler, penser, aimer, adorer, détester, etc.

Slide 24 - Tekstslide

Hoe maak je een passé composé?
Parler > Parlé ( = gepraat)
Trouver > Trouvé (= gevonden)
Écouter > Écouté (= geluisterd)
Penser > Pensé (= gedacht)

MAAR... "Ik heb gepraat" en "Wij hebben geluisterd"
DUS: We hebben het werkwoord hebben (= avoir) nodig!

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Exemple
Ik heb gekeken = ?
Gekeken komt van kijken.
Kijken = regarder > regardé (= gekeken)
Ik heb = J'ai
J'ai regardé

Slide 27 - Tekstslide

Wat is de passé composé-vorm van "chercher"?

Slide 28 - Open vraag

Jij hebt gezongen = ?
(Zingen = chanter)

Slide 29 - Open vraag

Cahier de grammaire
Vul nu het rijtje van de passé composé in van de werkwoorden avoir, être en faire.

Slide 30 - Tekstslide

Au travail!
Maak Texto opdracht 12.
timer
2:00

Slide 31 - Tekstslide

Avoir
avoir = hebben    >      eu = gehad


Tu as eu = Jij hebt gehad
Vous avez eu = Jullie hebben gehad / U heeft gehad
Etc.

Slide 32 - Tekstslide

Wij hebben gehad =
A
Nous avons avoiré
B
Nous avons eu

Slide 33 - Quizvraag

Ik heb gehad = ?

Slide 34 - Open vraag

Cahier de grammaire
Noteer de passé composé van het werkwoord avoir.
timer
1:00

Slide 35 - Tekstslide

Être
être = zijn         été = geweest 

J'ai été = Ik ben geweest
Nous avons été = Wij zijn geweest
Etc.

Slide 36 - Tekstslide

Jij bent geweest = ?
A
Tu as été
B
Tu es été
C
Tu as êtré
D
Tu es êtré

Slide 37 - Quizvraag

Isabelle is leraar geweest = ?

Slide 38 - Open vraag

Cahier de grammaire
Noteer de passé composé van het werkwoord être.
timer
1:00

Slide 39 - Tekstslide

Faire
faire = doen/maken         fait = gemaakt/gedaan


Il a fait = Hij heeft gemaakt/gedaan
Elles ont fait du foot = Zij hebben gevoetbald  (want: het hele werkwoord is faire du foot)
Etc.

Slide 40 - Tekstslide

U heeft getennist = ?
A
Vous avez fairé du tennis.
B
Vous avez tennissé.
C
Vous avez fait du tennis.
D
Vous êtes fait du tennis.

Slide 41 - Quizvraag

Zij heeft een tafel (une table) gemaakt = ?

Slide 42 - Open vraag

Cahier de grammaire
Noteer de passé composé van het werkwoord faire.
timer
1:00

Slide 43 - Tekstslide

Au travail!
1. Maak nu de Roman Photo opdrachten 15 a en b
2. Huiswerk is Texto en Roman Photo t/m 16 af.

Slide 44 - Tekstslide

Ik kan de passé composé van werkwoorden op -er toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 45 - Quizvraag

Ik kan de passé composé van avoir, être en faire toepassen.
A
Ja
B
Nee

Slide 46 - Quizvraag