Wie ben ik deel 2

Wie ben ik …

In mijn nieuwe klasgroep?
P 30 - 47

1 / 56
volgende
Slide 1: Slide
newEditorPedagogisch handelenSecundair onderwijs

In deze les zitten 56 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Wie ben ik …

In mijn nieuwe klasgroep?
P 30 - 47

Inhoudsopgave


  • Wat zijn mijn behoeften en basisbehoeften?

  • Wat zijn mijn talenten?

  • Wat is communiceren?

  • Hoe communiceer ik op een correcte manier op school en in mijn omgeving?

2

Behoeften en basisbehoeften

Wat moet ik kennen / kunnen?

Behoeften en basisbehoeften:


  • Ik leg uit wat behoeften zijn.

  • Ik kan voorbeelden geven van behoeften.

  • Ik leg uit wat basisbehoeften zijn.

  • Ik kan voorbeelden geven van basisbehoeften.

  • Ik leg uit wat de basisbehoeften volgens kind en gezin zijn.

4

Wat is het verschil tussen behoeften en basisbehoeften?

Behoeften =
Waar je naar verlangt en die er op dat moment niet zijn. ( = luxe )


Bijvoorbeeld:

  • Je wil op vakantie, maar het is school.

  • Je wil graag een zwembad in de tuin.

  • Je wil lego voor je verjaardag.


Basisbehoeften =
Wat je nodig hebt om te overleven, je kan niet zonder leven. ( = geen luxe )


Bijvoorbeeld:

  • Iedere nacht voldoende slaap

  • Water drinken en eten

  • Een dak boven je hoofd



5

Plaats in de juiste kolom

Behoeften

Basisbehoeften

Kleding hebben

Liefde

Onderdak hebben

De nieuwste Iphone

Behoeften volgens piramide van Maslow




  • Elke mens gaat pas naar een hogere behoefte streven als de vorige in orde is.

  • De behoefte staan in volgorde van belang.



6

Basisbehoeften volgens kind en gezin



  • Deze gebruiken we vooral tijdens de lessen, dus hier gaan we dieper op ingaan.

7

Basisbehoeften volgens kind en gezin

  • Lichamelijke behoefte :

    • Eten

    • Drinken

    • Beweging

    • Slapen



  • Behoefte aan affectie:

    • Knuffels

    • Liefde

    • Warmte

  •  Zowel geven als ontvangen

8

Basisbehoeften volgens kind en gezin

  • Behoefte aan veiligheid, continuïteit en duidelijkheid

    • Nood aan een voorspelbare omgeving.

    • Wil weten waar het aan toe is.

    • Wat zijn de huisregels.

    • Wat kan ( niet )

    • Kan ik rekenen op anderen


  • Behoefte aan erkenning en bevestiging:

    • Wil aanvaard worden en gewaardeerd worden.

    • Een “eigen plaatsje” hebben in de groep.

    • Iets willen betekenen voor anderen.



9

Basisbehoeften volgens kind en gezin

  • Behoefte aan zichzelf als kundig ervaren.

    • Het gevoel hebben iets te kunnen.

    • Succes ervaringen

    • Eigen grenzen verleggen

  • Behoefte aan zingeving en morele waarde.

    • Zich een goed persoon voelen.

    • Verbonden voelen met anderen en de wereld

    • Wat is “goed” en “fout”


10

Over welke behoeften gaat het in volgende voorbeelden volgens kind en gezin?

Mama geeft fruitpap aan de peuter.

15

second

A

Lichamelijke behoefte

B

Behoefte aan affectie.

C

Behoeften aan veiligheid, continuïteit en duidelijkheid.

D

Behoefte aan erkenning en bevestiging.

Je oma vraagt zich af waarom haar leven nog in heeft. Haar kinderen en kleinkinderen komen zelden op bezoek.

15

second

A

Behoefte aan zichzelf als kundig ervaren.

B

Behoefte aan affectie.

C

Behoeften aan veiligheid, continuïteit en duidelijkheid.

D

Behoefte aan zingeving en morele waarden.

Kato geeft een knuffel aan haar beste vriendin.

15

second

A

Lichamelijke behoefte

B

Behoefte aan affectie.

C

Behoefte aan zichzelf als kundig ervaren.

D

Behoefte aan erkenning en bevestiging.

De juf bewondert de knutselwerkjes van haar klas en geeft een klapt in haar handen.

15

second

A

Lichamelijke behoefte

B

Behoefte aan affectie.

C

Behoefte aan zichzelf als kundig ervaren.

D

Behoefte aan erkenning en bevestiging.

Je ouders zijn zeer strikt: er worden geen schoenen in huis gedragen. Je doet je pantoffels aan wanneer je binnenkomt.

15

second

A

Behoefte aan veiligheid, continuïteit en duidelijkheid.

B

Behoefte aan affectie.

C

Behoefte aan zichzelf als kundig ervaren.

D

Behoefte aan erkenning en bevestiging.

Wat zijn mijn talenten?

Wat moet ik kennen / kunnen?

Talenten:


  • Ik ken mijn talenten.

  • Ik leg het verschil uit tussen talenten en competenties.

  • Ik gebruik mijn talenten om mezelf voor te stellen.

12

Wat zijn mijn talenten?


  • Speel het talentenspel dat je kan terugvinden op Scoodle.

  • Noteer de 4 talenten die op het einde van het spel bij jou lagen.

  • Noteer in de laatste rij nog een talent dat volgens jou goed bij je past.


( opdracht p 35 )

13

Besluit: talenten en competenties

  • Talent =


  • Iets dat je van jezelf goed kan. Het is aangeboren.


  • Je talenten kun je verder ontwikkelen als je er tijd in steekt.

  • Competenties =


  • Een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes die je hebt aangeleerd. Je kunt ze ontwikkelen.


  • Je moet het onderhouden om het te behouden.

14

Opdracht: wie ben ik met mijn talenten?

  • Maak een powerpointpresentatie waarin je jezelf en je talenten voorstelt.

  • Verwerk de informatie van p 36 in je powerpointpresentatie.

  • Plaats in de uploadmap: vak pedagogisch handelen.

  • Stel de presentatie voor aan de klas.

  • Vul de zelfreflectie in op pagina 36

15

Wat is communiceren?

Wat moet ik kennen / kunnen?

Communicatie

  • Ik leg uit wat communicatie is.

  • Ik geef voorbeelden van mondelinge, schriftelijke, verbale en non-verbale communicatie.

  • Ik leg aan de hand van het communicatiemodel het communicatieproces uit.

  • Ik leg het verband uit tussen verbale en non-verbale communicatie.

  • Ik kan een formele mail opstellen.

  • Ik pas sociale- en communicatieve vaardigheden toe.

17

Waaraan denk je bij het woord communiceren?

1

m

00

second

Wat is communiceren?

  • Een proces waarbij de zender een boodschap doorgeeft aan de ontvanger.

    • met woorden ( = verbaal )

    • lichaamstaal ( non-verbaal )

    • paraverbaal ( toon van je stem, intonatie, tempo )

  • De ontvanger vangt de boodschap op met zijn zintuigen en gaat reageren ( = feedback geven )

  • Ruis = storing in het communiceren. Hierdoor kan de boodschap verkeerd worden begrepen of helemaal niet goed ontvangen worden.

    • Fysieke ruis: vb: lawaai in de klas, muziek, iemand praat over je heen, …

    • Psychologische ruis: je bent moe, afgeleid, in een slechte stemming … waardoor je niet goed luistert.

²²²²²²

18

Verbind de juiste begrippen met de uitleg

Degene tot wie de zender zich richt.

Terugkoppeling op de gegeven boodschap

Verzamelnaam voor storingen in de communicatie

De persoon die de informatie verstuurt.

De informatie die verstuurd wordt.

zender

Feedback

Ruis

Boodschap

Ontvanger

Wat als ... E-mails de enige vorm van communicatie waren?

30

second

Wat als ...de zender een andere taal spreekt als de ontvanger?

30

second

Wat als ...gebarentaal het enige communicatiemiddel was?

30

second

Wat als ...je een e-mail naar je leerkracht zou beginnen met "Hallllooo" mevrouw?

30

second

Wat als ...de zender WhatsApp gebruikt en de ontvanger messenger?

30

second

Wat als ...communiceren niet lukt?

30

second

Wat als ...er geen sociale media zou zijn?

30

second

Wat als ...we alleen maar konden communiceren met onze gsm?

30

second

Wat als ...elke email 2 dagen onderweg zou zijn?

30

second

Wat als ...we allemaal dezelfde taal zouden spreken?

30

second

Hoe communiceer ik op een correcte manier op school en in mijn omgeving.

  • Sociale en communicatieve vaardigheden =

    • vaardigheden ( = kunnen )

    • communiceren ( = praten ) Hoe je correct moet praten tegen anderen.


  • Met vrienden praat je anders dan met vb leerkrachten.

Formeel communiceren: zakelijker, je gebruikt standaardtaal.

Informeel communiceren: met iemand die je goed kent, op een losse
en spontane manier.


Je past je communicatie aan, aan de situatie en de mensen met wie je op dat moment samen bent of samenwerkt.


Belangrijk is dat je steeds RESPECTVOL communiceert en afspraken naleeft.

19

Waar communiceer jij op deze manier?

"die gast op school is zo awkward, hij kan beter wat chill doen".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Waar communiceer jij op deze manier?

"Mag ik de nietmachine, aub".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Waar communiceer jij op deze manier?

"Bedankt om me dit te laten weten".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Waar communiceer jij op deze manier?

"Hey yo, geef die shit eens terug".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Waar communiceer jij op deze manier?

"Mag ik het brood, alstublieft".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Waar communiceer jij op deze manier?

"Yo, vet cool dat je er bent".

1

vrienden

2

thuis

3

school ( in de klas )

4

nergens

Hoe verzend ik een goede email?

20

Dit is een goede email?

1

Juist

2

Fout

Welke fouten heb je gezien bij het
lezen van de email?

1

m

00

second

Vaak voorkomende fouten bij het opstellen van een goede email

  • Onduidelijk onderwerp

  • Geen gepaste aanspreking ( yo, bro, … ) en/of een komma erachter

  • Geen heldere email, je begrijpt niet wat er wordt bedoelt.

  • Schrijffouten en geen leestekens of hoofdletters.

  • Veel te lange zinnen.

  • Bijlage = doc 1 ( geen juiste benaming ) + meerdere bijlage voor elk blad papier.

  • Bijlage in PDF indien deze moeten worden afgedrukt.

  • Geen afsluiter vb: met vriendelijke groeten

  • Onvolledige naam

21

Hoe stel je dan een goede email op?

  • Onderwerp

Duidelijk en gepast

taak: wie ben ik?

Vraag bij de taak over het versturen van een email

  • Aanspreking

Beleefde aanspreking

  • Vermeld de naam wie de email ontvangt.

  • GEEN komma na de aanspreking

    • Beste mevr. Van Echelpoel

    • Geachte heer

    • Dag juf Marie



22

Hoe stel je dan een goede email op?


  • Tekst

    • Wat is het doel van je email / waarom mail je?

    • Kort en bondig

    • Verzorg je taalgebruik.

    • Controleer op typfouten.

    • Begin elke zin met een hoofdletter.

    • Eindig elke zin met een leesteken.


  • Slotformule

    • Kies een gepaste afsluiter

      • Met vriendelijke groeten

      • Alvast bedankt

    • Schrijf je volledige naam ( voornaam + familienaam )



  • Bijlagen

  • Controleren en versturen


23

Hoe stel je dan een goede email op?

  • Bijlagen

    • Geef de bijlage een herkenbare naam.

      • Taak: wie ben ik

    • Vermeld in je bericht dat je een bijlage toevoegt.

      • In bijlage vind je mijn taak: wie ben ik.

Lees je bericht na voor je het verstuurt.

  • Is de boodschap duidelijk?

    • Staan er geen fouten in de tekst?

      • Is de bijlage toegevoegd?

        • Verstuur je email.


24

Ik heb de leerstof begrepen.

Over deze leerstof heb ik nog een vraag.

1

Behoeften en basisbehoeften

2

Talenten

3

Wat is communiceren

4

Hoe verstuur ik op een correcte manier een e-mail?

Voeg hier je vraag toe

1


2


Voeg hier je vraag toe

1


2