Les van 25 februari

Les van 25 februari
Wat gaan we doen?
- Taaltoets;
- Verwijswoorden;
- Figuurlijk taalgebruik;
- dictee;
- spelling (herhaling werkwoord spelling);
-Banksy.
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands8th Grade

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les van 25 februari
Wat gaan we doen?
- Taaltoets;
- Verwijswoorden;
- Figuurlijk taalgebruik;
- dictee;
- spelling (herhaling werkwoord spelling);
-Banksy.

Slide 1 - Tekstslide

Taaltest
We beginnen nu aan de Taaltest.


Ik deel even een ander scherm met je.

Slide 2 - Tekstslide

Woordenschat
We gaan kijken naar de woordenschatwoorden bij de tekst "Eigenlijke een makkie".

Slide 3 - Tekstslide

Woordenschat
Ga naar blz. 10 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 4 - Tekstslide

De kinderen uit groep 8B overleggen over het cadeau.

Kies uit: de dialoog, het groepsoverleg, de monoloog

Slide 5 - Open vraag

Woordenschat
Ga naar blz. 11 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2 verder af.

Slide 6 - Tekstslide

Welk woord betekent het tegenovergestelde van 'grandioos'?

Kies uit: de monoloog, soms, een catastrofe zijn, belabberd, behendig

Slide 7 - Open vraag

Woordenschat
Ga naar blz. 11 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 3.

Slide 8 - Tekstslide

Verwijswoorden
Wat is een verwijswoord ook alweer?

Een verwijswoord is een woord dat naar een ander woord, een woordgroep of een hele zin verwijst. Het kan gaan om:
- een een persoonlijk voornaamwoord (hij, zij, het, ze, hem, haar, hun, hen);
- een bezittelijk voornaamwoord (zijn, haar, hun, ons);
- een aanwijzend voornaamwoord (die, dat, deze, dit, zo'n).

Slide 9 - Tekstslide

Verwijswoorden  als psvn
Verwijswoord als een persoonlijk voornaamwoord:

• Saskia geniet van de warme zomerdagen. Ze gaat lekker zwemmen en eet heerlijke ijsjes.

Het woord ‘Ze’ is een verwijswoord, want het verwijst naar Saskia. Het is dezelfde persoon.

Slide 10 - Tekstslide

Verwijswoorden  als bzvn
Verwijswoord als een bezittelijk voornaamwoord:

• Jeroen heeft een mooie auto, ik vind die van hem echt de mooiste.

Het woord ‘hem’ is een verwijswoord, want het verwijst naar de auto van Jeroen

Slide 11 - Tekstslide

Verwijswoorden  als avnw
Verwijswoord als een aanwijzend voornaamwoord:
 
• We kunnen kiezen uit een rode en een blauwe bank. Ik vind die rode het het mooiste.

Het woord ‘die’ is een verwijswoord, want het verwijst naar de (rode) bank.

Slide 12 - Tekstslide

Verwijswoorden  als avnw
Verwijswoord als een aanwijzend voornaamwoord:
 
• Welk raam is groter? Dit raam of dat raam? 
• Welke bloem vind jij mooier ? Deze zonnebloem of die roos? 

Je moet dat schroefje nog even aandraaien.
Dit schilderij is het mooiste.

Slide 13 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 18 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 14 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 18 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.

Slide 15 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 26 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak daar de "eerst proberen" oefening en daarna oefening 1.

Slide 16 - Tekstslide

Figuurlijk taalgebruik
Wat is figuurlijk taalgebruik ook alweer?

Kun je een voorbeeld noemen?

Slide 17 - Tekstslide

Figuurlijk taalgebruik
Figuurlijk taalgebruik is het tegenovergestelde van letterlijk taalgebruik: het is geen feitelijke weergave, het is meer symbolisch bedoeld

"Ik zie het door de vingers"
"Door het oog van de naald kruipen"
"Hij kookte van woede"

Slide 18 - Tekstslide

Letterlijk taalgebruik
Bij letterlijk taalgebruik hebben woorden exact de betekenis die ze volgens het woordenboek hebben, zonder verborgen boodschap of beeldspraak. Het is de feitelijke weergave van de werkelijkheid, vaak gebruikt om misverstanden te voorkomen. 

"Ik heb een blauwe plek"
"De soep is heet"

Slide 19 - Tekstslide

Palindroon en anagram

Heb je hier ooit van gehoord?

Wat betekenen deze begrippen?

Slide 20 - Tekstslide

Palindroon 

Het wordt ook wel een spiegelwoord of een keerwoord genoemd. 

Dit woord blijft hetzelfde als je het van achteren naar voren leest:

Voorbeelden: kok, lepel, pap, raar, redder, anna en kak


Slide 21 - Tekstslide

Palindroon zin

Je kunt ook hele zinnen maken die een palindroon zijn. 

Bijvoorbeeld:
• Nelli plaatst op ’n parterretrap ’n pot staalpillen.
• De mooie zeeman nam Anna mee, zei oom Ed.

Slide 22 - Tekstslide

Anagram

Dit is een woord dat je kunt maken van alle letters van een ander woord

Een anagram is een woord dat volledig bestaat uit de letters van een ander woord.

Slide 23 - Tekstslide

Anagram

Bijvoorbeeld :

Rooksein ↔  kniesoor

Velen: ↔ Leven, elven, nevel

Gum: ↔ Mug

Slide 24 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 19 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 25 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 19 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.

Slide 26 - Tekstslide

Even oefenen
Ga naar blz. 28 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak daar de "eerst proberen" oefening en daarna oefening 1.

Slide 27 - Tekstslide

Dictee
We gaan weer even een klein dictee doen. We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 28 - Tekstslide


Slide 29 - Open vraag

Volgende week een groter dictee.
Volgende week krijg je een dictee over het hele thema 3 van spelling. Kijk daarom nog eens goed naar alle oefeningen en alle eventuele foutjes die je hebt gemaakt.

Slide 30 - Tekstslide

Werkwoordspelling
We gaan nog even oefenen met de werkwoordspelling.

Slide 31 - Tekstslide

In dit gebied wordt geen vee ........ (vervoeren)

Slide 32 - Open vraag

In 2010 ........ de omzet met tien procent.

A
daaldde
B
daald
C
daalde
D
daalden

Slide 33 - Quizvraag

(Houden) ........ rekening met elkaar.

Slide 34 - Open vraag

Het paard ........ door het bos.

A
galoppeerd
B
galloppeerd
C
galloppeert
D
galoppeert

Slide 35 - Quizvraag

Gisteren (proeven)......... ik de soep en toen vond ik het niet zo lekker.

Slide 36 - Open vraag