4PWOHK/BBL periode 3 les 7

4PWOHK/BBL periode 3 les 7
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 4

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

4PWOHK/BBL periode 3 les 7

Slide 1 - Tekstslide

For today:

- Examens Engels data
- Cijfer berekening
- Informatie examens  spreken & gesprekken voeren
 - Examen opdrachten Speaking  en gesprekken voeren => wat te verwachten

Slide 2 - Tekstslide

Examens Engels data
Spreken en gesprekken voeren  A2 

Wanneer:   P4  vanaf 15 april
Elke les 2  studenten 
Hoelang: ongeveer 20 minuten (minimaal 4 minuten spreken en minimaal 4 minuten gesprekken inclusief nabespreken)

De indelingen maak ik. Alleen in uiterste gevallen mag je een voorkeur aangeven. Nadat de indeling is gemaakt wordt deze niet meer aangepast. Onderling ruilen mag. Wel doorgeven aan mij.

Slide 3 - Tekstslide

Wat is niveau A2 spreken?  
Spreken A2: Ik kan een reeks uitdrukkingen en zinnen gebruiken om in eenvoudige bewoordingen mijn familie en andere mensen, leefomstandigheden, mijn opleiding en mijn huidige of meest recente baan te beschrijven.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Tekstslide

Tip 1
Als je het woord niet meer weet; beschrijf het.

Slide 10 - Tekstslide

Describe the word: Netflix

Slide 11 - Open vraag

Describe the word: Internship

Slide 12 - Open vraag

Tip 2
Tijdens gesprekken: Stel een vraag wanneer je niet meer weet wat je moet zeggen.

Slide 13 - Tekstslide

Send the turn Back
  • I'm not sure what....means
  • Do you mean.....?
  • Just to double check....do you mean...?
  • Can you give me an example of what you mean?

Slide 14 - Tekstslide

Tip 3
Ga nooit terug naar het Nederlands; ze zullen je in de meeste gevallen niet snappen.

Slide 15 - Tekstslide

Use words from your language/explain
  • I don't know how to say in English....and then explain

  • There is an expression in my language.....


Slide 16 - Tekstslide

Start speaking....then think
  • In my limited experience....
  • Off the top of my head...
  • The first thing that springs to mind....
  • From my point of view....

Slide 17 - Tekstslide

Fill the silence
  • uuuhm...
  • eeer....
  • That's a difficult/unusual/interesting question...

Slide 18 - Tekstslide

Use Vague language
  • I suppose...
  • you could say....
  • thing.....stuff.... thingy.....whatsit.....whats-his-name

Slide 19 - Tekstslide

Tips to Improve Fluency
  • Think aloud
  • Start speaking, then think about what you are going to say
  • Fill silence
  • Send the turn back => Can you give me an example?..
  • Use words from your language, then explain them
  • Use vague language => I suppose... You could say...

Slide 20 - Tekstslide

Welke opdrachten?

Spreken => Voorlichting voor een open dag
Gesprekken voeren => Gesprek excursie plannen.

Slide 21 - Tekstslide

Useful words exam speaking
Start with: Goodmorning, good afternoon everybody and welcome to my presentation about...

These are the following things I am going to tell you about the education Pedagogical employee  

1. Stel jezelf voor. => First I am going to introduce myself. My name is... I am ... years old.  I live in... My hobbies are... 

2. Vertel welke opleiding je doet. => I follow a course to become a pedagogical employee in child care / child care worker.

Slide 22 - Tekstslide

Useful words exam speaking
3. Vertel waarom je voor deze opleiding hebt gekozen. => I chose this course because....

4. Vertel hoelang je opleiding duurt. => This course takes .... years

5. Vertel hoeveel tijd je besteedt aan je opleiding. => The time / amount of time I spend is....
Benoem hoeveel tijd je besteedt aan  school, opdrachten, werk/ stage.

6. Geef een beschrijving van de vakken die tijdens je opleiding aan bod komen. => The subjects I have to attend/ follow are: english, dutch, maths (rekenen), name also some of the electives (keuzedelen) you can follow.

Slide 23 - Tekstslide

Useful words exam speaking
7. Beschrijf welke beroepen je met je opleiding kan gaan uitvoeren. => When you finish this course you can become a childcare worker/ pedagogical  employee 
8. Vertel wat je vindt van je opleiding. => I like this course because...
9. Vertel over de leukste ervaring die je tijdens je opleiding hebt opgedaan => My nicest experience for so far was....

Slide 24 - Tekstslide

Cijferberekening
Lezen/ luisteren => 50 %
Schrijven / Spreken / Gesprekken voeren => 50%
= Eindcijfer 

Slide 25 - Tekstslide

Waarop word je beoordeeld?
-Inhoud
- Samenhang
- Bereik en beheersing van de woordenschat
- Productiestrategieën
- Grammaticale correctheid
- Vloeiendheid
- Uitspraak
- Afstemming taalgebruik op doel en publiek


Slide 26 - Tekstslide

Inhoud
Zijn alle onderdelen aan bod gekomen?
Denk aan: inleiding - kern -slot
Introduction ( jezelf voorstellen)
Kern  onderdelen die in de presentatie terug moeten komen.
Slot / conclusie (wat vind je van je BPV?)

Slide 27 - Tekstslide

Samenhang
Maak je gebruik van verbindingswoorden?
Voorbeeldzin zonder verbindingswoorden:
Hello, my name is M. I live in  G. It 's a village in G.
Voorbeeldzin met simpele verbindingswoorden:
Hello my name is M and I am 17 years old. I live in G and that's a village nearby D. I Live nearby school so it's easy for me to be on time.
Voorbeeldzin met complexere verbindingswoorden:
Goodmorning, my name is M and I am 17 years old. I live in G which is a village nearby D. I have lived there since 2008 togethers with my my parents, who I dearly love and my sister and brother whose age I can't remember.

Slide 28 - Tekstslide

Bereik en beheersing woordenschat
- Voldoende woordenschat om alledaagse handelingen (bijv. bedanken, verontschuldigen, iets vragen, vertellen over vertrouwde zaken/personen) uit te voeren en kan een beperkt repertoire hanteren met uit het hoofd geleerde uitdrukkingen (bijv. thank you for …, I like to …, my hobbies are …).  Eenvoudige voorzetselcombinaties (bijv. walking to, waiting for, tobelieve in) 
-  Een goede woordenschat om zich te uiten over dagelijkse onderwerpen (bijv. familie, wonen, vrijetijdsbesteding, dagelijks werk en interesses). Eenvoudige voorzetselcombinaties(bijv. walking to, waiting for, tobelieve in) zijn meestal correct.

Slide 29 - Tekstslide

Productiestrategieën
- Je houdt de presentatie gaande met behulp van eenvoudige strategieën, zoals
gebruikmaken van fillers (bijv. uh, hm, um), gebruikmaken van een overkoepelend begrip (bijv.
fruit in plaats van orange), een woord uit de moedertaal ‘verbuitenlandsen’ (bijv. Sinasapple/
‘sai-nes-eppul’ in plaats van orange) of een woord omschrijven.
- Je gebruikt complexere strategieën (bijv. de boodschap op hoofdpunten uitwerken, begrippen omschrijven, wisselen van communicatietactiek dmv voorbeelden of het publiek om bevestiging vragen van een gebruikte vorm bijv. is this the right word?).

Slide 30 - Tekstslide

Vloeiendheid
- Je hapert vaak, maakt valse starts, veel aarzelingen. (uh,ehm)
- korte uitingen, valse starts, herformuleringen (ok, let's start again)
- weinig / geen haperingen, goed te volgen.

Slide 31 - Tekstslide

Grammatica
- Woordvolgorde correct (wie doet wat waar wanneer)
- Werkwoordsvormen correct (verschil tt, vt en vtt, taught ipv teached)
- Juist gebruik van lidwoorden, bijv. naamwoorden, voorz-woord combinaties (at school, I play  football at en niet by)

Slide 32 - Tekstslide

Uitspraak
- Duidelijk, verstaanbaar met Ned. accent, boodschap moet overkomen. 
- Fouten in uitspraak mag (pedagogy, mathematics, gym, PE teacher, colleagues,)
Spellen van alfabet en getallen (rang en telwoorden)

Slide 33 - Tekstslide

Afstemming taalgebruik op doel en publiek
bijv. begroeten, een gelukwens, een vraag stellen, afscheid nemen, kort antwoord geven op een vraag, eenvoudige informatie
verstrekken, kort iets vertellen over een ervaring) door gebruik te maken van alledaagse beleefdheidsvormen (bijv. hi, dear, thank you, (kind) regards

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Wat is niveau A2 gesprekken voeren?
A2 gesprekken voeren:
- De kandidaat kan adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten zoals begroeten, informatie geven en vragen.
- De kandidaat kan naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven.
- De kandidaat kan uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens.
- De kandidaat kan een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.

Slide 36 - Tekstslide

Interactie gesprekken
Je kan het gesprek gaande houden zonder dat de geprekspartner de hele tijd vragen moet stellen.
Je stelt vragen, vraagt om herhaling.
Could you repeat that please? I didn't quite understand that... Excuse me, what did you say?

Slide 37 - Tekstslide

Examenopdracht gesprek excursie
Zinnen /woorden die je zou kunnen gebruiken tijdens het gesprek:
- Goodmorning / good afternoon, my name is...
-  I study to be a pedagogical employee./ childcare worker  for.... at Graafschap Coilege 
-  I would like to go an on excursion to your company because......
-  I think  .... persons will be attending/ There are ... persons who want to join the excursion/ About ... persons will be coming/ joining.
- What kind of activities are there? / What activities will be the most suitable for my employees/ students? What kind of activities are you offering? / What activities do you offer?
-  I think the 5th of May will be the best day. / What about 12 May?/ I think May 12th is OK
- What will be the costs?/ How much will it be per person?/ Do you have any package deals?
- That's OK/ I will have to discuss it first with my supervisor/ That sounds great./ Thats not expensive at all.
- I will give you my phone number in case you need to call me. Here's my pnone number.


Slide 38 - Tekstslide

Examenopdracht gesprek excursie
Let op de volgende dingen:
- Zorg dat je het gesprek begint met groeten. Goodmorning/ afternoon how are you? 
- Zorg ervoor dat je het gesprek ook netjes afsluit dmv. een groet (niet te amicaal zoals "Laters of see ya"!)
- Als een vraag niet duidelijk is, vraag om duidelijkheid ( I don't really understand, could you give an example of If I'm correct, you said (that)....)
-Gebruik zo min mogelijk Nederlandse woorden.  Als je een woord niet weet, probeer het te omschrijven. 

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide