Hoofdstuk1

1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

wat is het BBP en wat meet het?

Slide 5 - Open vraag

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Valt de volgende vraagstuk onder macro- of micro economie?
Werkloosheid
A
Macro
B
Micro

Slide 20 - Quizvraag

Valt de volgende vraagstuk onder macro- of micro economie?
Inflatie
A
Macro
B
Micro

Slide 21 - Quizvraag

Valt de volgende vraagstuk onder macro- of micro economie?
Pizza bij de supermarkt
A
Macro
B
Micro

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het BBP?
A
Extra belasting op goederen die die minder moeten
B
De overheid en de sociale fondsen
C
Invoer van goederen in een land
D
Waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land

Slide 23 - Quizvraag

Wat is BBP?
A
Bruto Buitenlands product
B
Bruto Binnenlands Product
C
Buiten Binnenlands product
D
Geen van deze

Slide 24 - Quizvraag

Wat is toegevoegde waarde?
A
De waarde die een klant toevoegt aan een product
B
De waarde die een bedrijf toevoegt aan een product
C
Alleen bedrijven die een product verkopen
D
Alleen bedrijven die een product uit de natuur halen

Slide 25 - Quizvraag

Hoe groot is de toegevoegde waarde van de scooterfabriek
A
€ 785
B
€ 670
C
€ 165
D
€ 1.290

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de toegevoegde waarde van de deegfabriek?

Slide 27 - Open vraag

Wat is de toegevoegde waarde van de supermarkt?

Slide 28 - Open vraag

Wat is de toegevoegde waarde van de platenlabel?

Slide 29 - Open vraag

De objectieve methode om de toegevoegde waarde te berekenen is:
A
Omzet – alle kosten
B
Omzet – productie andere bedrijven
C
Loon + ambtenarensalarissen
D
Loon + huur + rente + pacht + winst

Slide 30 - Quizvraag

Het verschil tussen bruto BBP en netto BBP, zowel bij de objectieve als subjectieve methode zijn:
A
De afschrijvingen
B
De inkoopkosten
C
Belastingen

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Wat zijn de 4 productiefactoren?
A
Geld, Arbeid, Natuur, Ondernemersschap
B
Kapitaal, Arbeid, Natuur, Onderwijs
C
Geld, Arbeid, Natuur, Onderwijs
D
Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemersschap

Slide 40 - Quizvraag

Om welke productiefactor gaat het?

"Iemand probeert winst te maken door op de juiste mannier de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal in te zetten"
A
Natuur
B
Arbeid
C
Kapitaal
D
Ondernemerschap

Slide 41 - Quizvraag

A. Kapitaal
B. Arbeid
C. Natuur
D. Ondernemen
Welke beloning hoort bij welke productiefactor ?
A
A. Rente B. Loon C. Pacht D.Winst
B
A. Loon B. Rente C. Winst D.Pacht
C
A. Rente B. Loon C. Winst D.Pacht
D
A. Loon B. Rente C. Pacht D.Winst

Slide 42 - Quizvraag

De categoriale inkomensverdeling gaat over de verdeling van het binnenlands inkomen. De loonquote bereken je door:
A
winst/binnenlands inkomen x 100%
B
loon/binnenlands inkomen x 100%
C
loon/arbeidsinkomen x100%
D
arbeidsinkomen/binnenlandsinkomen x 100%

Slide 43 - Quizvraag