Klas 1 antwoorden formuleren

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
1. Nog een keer alle tips per vraagvorm bekijken
2. Voorbeelden analyseren
3. Zelf oefenen

Slide 2 - Tekstslide

1. De NOEM vraag
De eerste vraagvorm die je tegen kan komen is de noem-vraag. Bij een noem-vraag staat meestal het aantal antwoorden dat je moet geven. 

Bv: Noem twee redenen waarom het West Romeinse rijk viel. (2 pt)

Slide 3 - Tekstslide

1. De noem vraag
Let op: Een noem-vraag heeft maar een kort antwoord nodig, meestal 1 zin. Antwoord geven in 1 of 2 woorden is altijd fout.

Slide 4 - Tekstslide

Noem twee redenen waarom het West Romeinse rijk viel.(2 pt)

Slide 5 - Open vraag

2. De leg uit-vraag
Dit is de meest voorkomende vraagvorm op een proefwerk. 
Bij een leg uit-vraag moet je antwoord bestaan uit een klein verhaaltje.

 Er moet ook altijd een korte conclusie in je antwoord zitten waarbij je een deel van de vraag herhaalt.

Slide 6 - Tekstslide

2. De Leg uit-vraag
VB: In de Romeinse Republiek probeerden sommige leden van de elite consul te worden. Om hun kans hierop te vergroten organiseerden ze gladiatorenspelen. Leg uit waarom het organiseren van gladiatorenspelen hun kans op consulschap zou vergroten.

Je antwoord moet dus bestaan uit een klein verhaaltje waarin je het verband omschrijft. Let op dat je afsluit met een conclusie!!
TIP: Als er een begrip in de vraag staat, leg dat dan altijd kort uit in je antwoord.


Slide 7 - Tekstslide

In de Romeinse Republiek probeerden sommige leden van de elite consul te worden. Om hun kans hierop te vergroten organiseerden ze gladiatorenspelen. Leg uit waarom het organiseren van gladiatorenspelen hun kans op consulschap zou vergroten.

Slide 8 - Open vraag

3. De vergelijkingsvraag
 Een iets moeilijkere vraagvorm is de vergelijkingsvraag
Bij deze vraag moet je vaak twee of meer dingen met elkaar vergelijken. 

Zo’n antwoord bestaat daarom altijd uit meerdere delen. Wanneer je twee dingen met elkaar moet vergelijken bestaat je antwoord dus uit twee delen

Slide 9 - Tekstslide

Vergelijk het leenstelsel en het hofstelsel. Waarin verschillen deze?

Slide 10 - Open vraag

4. De Stellingvraag
Bij deze vraag krijg je één of meer stellingen en wordt je gevraagd hier iets over te zeggen. 

Soms moet je jouw mening erover geven, of laten zien waarom de stelling waar of nietwaar is. Wat je moet onthouden is dat je altijd argumenten moet geven. (feiten uit het boek)

Slide 11 - Tekstslide

In Dronrijp (Friesland) werd in 1876 een potje gevonden met 42 kleine gouden muntjes. De munten werden daar gebruikt in de 7e eeuw en kwamen uit steden in onder andere Duitsland en Frankrijk.
Het leenstelsel had voordelen en nadelen voor een leenheer.
Noem een voordeel en een nadeel.

Slide 12 - Open vraag

5. De inzichtvraag
Er zijn verschillende inzichtvragen.
Meestal moet je een verband uitleggen:
- oorzaak-gevolg
- verband tussen begrippen
- verband tussen bron en begrip (hoort bij de bronvraag)
enz. 

Slide 13 - Tekstslide

5. De inzichtvraag
Let op: Je antwoord moet bij een inzichtvraag altijd uit meerder delen bestaan. 
Vaak kun je in de vraag zien uit hoeveel delen:
- Verband tussen begrip 1 en begrip 2 = 2 delen (2 pt)
- Verband tussen oorzaak en gevolgen = minstens 2 delen (2 pt)

Slide 14 - Tekstslide

5. De inzichtvraag
VB: In 841 gaf een Frankische koning een gebied in Zeeland in leen aan een leider van de Vikingen.
− Leg uit waarom dit vreemd is, en
− beredeneer waarom de Frankische koning dit toch deed.

TIP: Er zit een begrip in de vraag, leg deze kort uit.
Leg daarna uit wat dat begrip te maken heeft met de macht van de koning.
Eindig met een conclusie (het is immers een leg-uit vraag)

Slide 15 - Tekstslide

In 841 gaf een Frankische koning een gebied in Zeeland in leen aan een leider van de Vikingen.
− Leg uit waarom dit vreemd is, en
− beredeneer waarom de Frankische koning dit toch deed.

Slide 16 - Open vraag

6. De bronnenvraag
De bronnenvraag is meestal een combinatie van een inzichtvraag met een leg uit vraag
In plaats van dat je twee gebeurtenissen bv met elkaar moet verbinden moet je vaak iets met de bron verbinden. 
BV: Welk begrip past bij de bron? 
Wat is de mening van de maker van de bron?
Is de bron bruikbaar voor....?

Slide 17 - Tekstslide

6. De bronnenvraag
Bij een bronnenvraag moet je altijd verwijzen.
Dat betekent dat je letterlijk iets uit de bron moet benoemen!! Datgene wat je benoemt moet jouw antwoord ondersteunen/bewijzen. 

Slide 18 - Tekstslide

6. De bronnenvraag 

Stappenplan voorbeeldvraag:
1. Zeg eerst LETTERLIJK wat je ziet/leest in de bron.
2. Leg daarna uit wat dat te maken heeft met de vraag (begrip dus kort uitleggen)
3. Eind met een conclusie. (verlicht bij de leg-uit vraag)

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Gebruik bron 2.
2p 7 Leg met twee argumenten uit dat de bron past bij het leenstelsel.

Slide 21 - Open vraag

Wat vond je van deze les?
0100

Slide 22 - Poll

Heb je nieuwe dingen geleerd deze les?
Ja
Nee
Een beetje

Slide 23 - Poll

Hoe voel jij je ter voorbereiding op de toets?
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll