Les 1: voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Les 1: voedingsmiddelen en voedingsstoffen
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Les 1: voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je kunt de functies van voedingsstoffen en voedingsvezels in voedingsmiddelen noemen.

- Je kunt zes groepen voedingsstoffen noemen met hun functies en kenmerken.

Slide 2 - Tekstslide

Inhoud
-Extra uitleg
-Opgave voedingsmiddelen en voedingsstoffen
-Filmpje

Slide 3 - Tekstslide

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
Het meeste voedsel komt van planten. Veel mensen eten ook dieren en dierlijke producten. In voedsel zitten de stoffen die je lichaam nodig heeft.
Door te eten en te drinken krijg je de voedingsstoffen binnen die je lichaam nodig heeft. Verschillende voedingsstoffen hebben verschillende functies.

Slide 4 - Tekstslide

Voedingsmiddelen
Alles wat je eet en drinkt, zijn voedingsmiddelen. Veel voedingsmiddelen komen van planten. Dat zijn plantaardige voedingsmiddelen. Meestal eet je niet de hele plant, maar een deel ervan. Delen van planten zijn wortels, stengels, bladeren, vruchten en zaden (zie afbeelding 1).

Er zijn ook dierlijke voedingsmiddelen (zie afbeelding 2). Als je vlees eet, eet je een deel van een dier. Je kunt ook producten van dieren eten, zoals eieren en melk. Van melk worden zuivelproducten gemaakt, zoals boter, kaas en yoghurt. Ook dat zijn dierlijke voedingsmiddelen.

Slide 5 - Tekstslide

Voedingsstoffen
Voedingsmiddelen bevatten voedingsstoffen. Voedingsstoffen zijn de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen. Het zijn de stoffen die je lichaam nodig heeft voor energie en om te groeien en te herstellen.
Voedingsstoffen hebben vier functies in je lichaam:
• brandstof
• bouwstof
• reservestof
• beschermende stof


Slide 6 - Tekstslide

Functies voedingsstoffen
Brandstoffen leveren energie. In elke cel van je lichaam vindt verbranding plaats. Voor verbranding zijn brandstoffen nodig die energie leveren. Alle organen in je lichaam hebben energie nodig om te kunnen werken. Je lichaam heeft ook energie nodig om je lichaamstemperatuur op peil te houden. En energie is nodig voor groei en ontwikkeling van je lichaam en voor herstel bij verwondingen en beschadigingen.
Bouwstoffen zijn nodig voor groei, ontwikkeling en herstel. Met bouwstoffen kan je lichaam nieuwe cellen en weefsels maken.
Reservestoffen zijn stoffen die je lichaam niet meteen nodig heeft. Ze worden opgeslagen in je lichaam. Later kan je lichaam ze gebruiken als bouwstof of brandstof.
Beschermende stoffen zorgen ervoor dat je niet ziek wordt.

Slide 7 - Tekstslide

Voedingsvezels
Voedingsvezel (of vezels) is een verzamelnaam voor stoffen uit planten die je lichaam niet kan verteren. Vezels zitten vooral in groente, fruit, aardappelen, volkorenbrood, peulvruchten, noten en ontbijtgranen (zie afbeelding hieronder). Ze zorgen voor een verzadigd gevoel (verzadigd = het gevoel dat je genoeg hebt gegeten). Voedingsvezel is nodig voor een goede darmwerking.

Slide 8 - Tekstslide

Zes groepen voedingsmiddelen
Er zijn zes groepen voedingsstoffen:
• eiwitten
• koolhydraten
• vetten
• water
• mineralen
• vitaminen

Je hebt alle groepen voedingsstoffen nodig om gezond te blijven. Vooral een tekort aan mineralen en vitaminen kan ziekte veroorzaken. Mineralen en vitaminen zijn beschermende stoffen.

Slide 9 - Tekstslide

Eiwitten
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen in je lichaam. Eiwitten zijn nodig voor de vorming van celplasma. Ook voor de opbouw van spieren heb je eiwitten nodig.
Een teveel aan eiwitten in je voeding wordt gebruikt als brandstof. Je lichaam kan eiwitten ook omzetten in vet en dan opslaan als reservestof.
In de afbeelding hiernaast zie je voedingsmiddelen die veel eiwitten bevatten.

Slide 10 - Tekstslide

Koolhydraten
Koolhydraten gebruikt je lichaam vooral als brandstof, maar ook als bouwstof. Tot de koolhydraten behoren onder andere suikers (zoals glucose), zetmeel en glycogeen. Ook voedingsvezel hoort bij de koolhydraten.
Als je meer koolhydraten binnenkrijgt dan je nodig hebt, zet je lichaam ze om in vet. Het vet wordt opgeslagen als reservestof. Glucose kan worden omgezet in glycogeen en zo worden opgeslagen in de lever en in je spieren.
In de afbeelding hiernaast zie je voedingsmiddelen die veel koolhydraten bevatten. In aardappelen bijvoorbeeld zit veel zetmeel, in jam zit veel suiker. Dierlijke voedingsmiddelen bevatten meestal weinig koolhydraten.

Slide 11 - Tekstslide

Vetten
Vetten gebruikt je lichaam vooral als brandstof, maar ook als bouwstof en als reservestof. Je voedsel hoeft niet veel vet te bevatten. Als je meer vet binnenkrijgt dan je nodig hebt, wordt het in je lichaam opgeslagen als reservestof. Dat gebeurt bijvoorbeeld onder de huid. De onderhuidse vetlaag wordt dan dikker.
In de afbeelding hiernaast zie je voedingsmiddelen die veel vetten bevatten.

Slide 12 - Tekstslide

Water
Je lichaam bestaat voor ongeveer 60% uit water. Water is dan ook een belangrijke bouwstof voor je lichaam. Ook andere organismen bestaan voor het grootste deel uit water.
Water is nodig voor het vervoer van stoffen in je lichaam. De meeste stoffen kunnen alleen goed door je lichaam worden vervoerd als ze zijn opgelost in water. Bloed bestaat voor een groot deel uit water.
Dranken, fruit en sommige groenten bevatten veel water (zie de afbeelding hiernaast).

Slide 13 - Tekstslide

Mineralen en vitaminen
Mineralen worden ook wel zouten genoemd. Voorbeelden van mineralen zijn calcium (kalk), natrium, magnesium en ijzer. Je hebt mineralen nodig als bouwstof, bijvoorbeeld kalk voor de opbouw van botten. Mineralen zijn ook beschermende stoffen. Je hebt ze nodig om gezond te blijven.

Ook vitaminen gebruikt je lichaam als bouwstof en als beschermende stof. Als je te weinig vitaminen binnenkrijgt, kun je ziek worden. Maar ook als je te veel vitaminen binnenkrijgt, kun je ziek worden. Daarom moet je niet zomaar vitaminetabletten gaan slikken. Als je normaal en gezond eet, krijg je voldoende vitaminen binnen. Vitaminen worden aangegeven met een letter. Belangrijke vitaminen zijn A, B, C, D en K. Vitamine A is nodig voor je huid en om goed te kunnen zien. Vitamine D is nodig voor de stevigheid van je botten. In de afbeeldingen hieronder zie je voedingsmiddelen die veel vitaminen en mineralen bevatten.






Slide 14 - Tekstslide

Verder lezen
Lees nog eens over voedingsmiddelen en voedingstoffen via deze link:
https://maken.wikiwijs.nl/140666#!page-5087327

Slide 15 - Tekstslide

Wat zijn voedingsmiddelen?

Slide 16 - Open vraag

Wat zijn voedingsstoffen?

Slide 17 - Open vraag

Voedingsstoffen hebben vier functies in je lichaam. Welke vier functies zijn dit?

Slide 18 - Open vraag

Sleep de beschrijving naar het juiste begrip.
1. beschermde stoffen
2. bouwstoffen
4. reservestoffen
3. brandstoffen
5. voedingsvezels
A. een tekort hieraan kan ziekte veroorzaken
B. leveren energie
C. nodig om cellen en weefsels op te bouwen
D. onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel
E. worden opgeslagen voor later gebruik

Slide 19 - Sleepvraag

1. Voedingsvezel kan je lichaam niet/wel verteren.
2. In groente, fruit en volkorenproducten zit veel /weinig voedingsvezel.
A
1. niet, 2. weinig
B
1. niet, 2. veel
C
1. wel, 2. weinig
D
1. wel, 2. veel

Slide 20 - Quizvraag

1. Vezels zorgen voor een hongerig/verzadigd gevoel.
2. Door voedingsvezel wordt de darmwerking beter/minder.
A
1. hongerig, 2. beter
B
1. hongerig, 2. minder
C
1. verzadigd, 2. beter
D
1. verzadigd, 2. minder

Slide 21 - Quizvraag

- vooral brandstof, ook bouwstof en reservestof die onder de huid wordt opgeslagen:............................
- bouwstof en vervoer van stoffen:............................
- bouwstof en beschermende stof, bijvoorbeeld om goed te kunnen zien: ............................
- vooral bouwstof, ook brandstof en reservestof:............................
- bouwstof en beschermende stof, bijvoorbeeld kalkzouten voor de opbouw van botten:............................
- vooral brandstof, ook bouwstof en reservestof, bijvoorbeeld suikers en zetmeel:............................

Sleep de voedingsstof naar de juiste beschrijving
vetten
water
vitaminen
eiwitten
mineralen
koolhydraten

Slide 22 - Sleepvraag

Welke voedingsstoffen kunnen worden opgeslagen als vet, als je er te veel van binnenkrijgt?
A
eiwitten, koolhydraten, mineralen
B
vetten, vitaminen, water
C
koolhydraten, mineralen, vetten
D
eiwitten, koolhydraten, vetten

Slide 23 - Quizvraag

Kalk is een mineraal.
Waarvoor heb je kalk nodig in je lichaam?

Slide 24 - Open vraag

Voedingstoffen
Brandstof
Bouwstof
Reservestof
Beschermende stof
Nodig voor:
Voedingsmiddelen die veel van deze stoffen bevatten:
Eiwitten
Koolhydraten
Vetten
Water
Mineralen
Vitaminen
Ja
Ja

Slide 25 - Sleepvraag

Welk deel van de plant eet je?
Sleep het onderdeel naar de juiste voedingsmiddel.
stengel
stengel
blad
blad
vrucht
vrucht
wortel
wortel
bloem
bloem
zaad
zaad

Slide 26 - Sleepvraag

Leg uit dat bonen veel bouwstoffen en brandstoffen bevatten.

Slide 27 - Open vraag

Voor een goede gezondheid heb je alle voedingsstoffen nodig. Maar in sommige situaties heb je van een bepaalde voedingsstof meer nodig.
Leg bij elke persoon uit welke voedingsstof hij of zij meer nodig heeft.
• Madelon is van haar fiets gevallen en heeft haar been gebroken.
• Furkan gaat morgen een hardloopwedstrijd lopen.
• Veel klasgenoten zijn ziek. Sieb wil niet ziek worden en eet nu extra gezond.

Slide 28 - Open vraag

Floris gaat in de sportschool trainen voor meer spiermassa en wil voedsel eten dat daarbij helpt.
Kimberly wil helemaal geen dierlijke voedingsmiddelen eten.
Senna wil minder koolhydraten eten.
Sjoerd wil geen vlees eten.
Hier staan vier mensen die een voorkeur hebben voor bepaald voedsel. Daaronder staan gerechten.
Welk gerecht past het best bij welke persoon? Sleep het gerecht naar de juiste plaats.
brood met eieren en spek en een glas melk
Ontbijt met havermout, noten, soja-yoghurt en een kop thee
salade met kip en een glas water
tosti met kaas, een appel en een kop thee

Slide 29 - Sleepvraag

Vroeger kon men op een schip alleen voedsel meenemen dat lang goed bleef. Daardoor aten matrozen tijdens een lange zeereis vooral gezouten vlees, gezouten spek en scheepsbeschuit (een soort gedroogd brood). Hierdoor kregen ze van bepaalde voedingsstoffen te weinig binnen, waardoor veel matrozen ziek werden.

Aan welke groep voedingsstoffen hadden deze matrozen een tekort?
A
Eiwitten
B
Koolhydraten
C
Mineralen
D
Vitaminen

Slide 30 - Quizvraag

Schrijf 2 dingen op die je deze les geleerd hebt.

Slide 31 - Open vraag

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 32 - Open vraag

Slide 33 - Video