Avoir - intro & ex

Le  verbe  avoir
C
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo k, g, t, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Le  verbe  avoir
C

Slide 1 - Tekstslide

Van

       Wat betekent "avoir"?
+ vervoeging van hebben


Vandaag oefenen we met het werkwoord "avoir".

Slide 2 - Tekstslide

We gebruiken het werkwoord "avoir" echt heel vaak !

Wat betekenen de roodgekleurde woorden volgens jou ?


1   Chantal  a  une  belle auto.
2   Nous  avons  100.000  euros.  Super !
3   Eric  et Charles   ont    deux  T-shirts  blancs.
4   J' ai  la  grippe ..... C'est horrible.

Het  zijn  allemaal  vormen  van  het  hele werkwoord "avoir".

Slide 3 - Tekstslide

antwoorden

1. Chantal heeft ...

2.wij hebben 100.00 ...

3. Eric et Charles hebben 2 ..

4. ik  heb griep.


Slide 4 - Tekstslide

Ken je het rijtje van "avoir" (met vertaling) ?
avoir...... avoir.......
       mmmm....

Slide 5 - Tekstslide

AVOIR ( = hebben)
Vervoeging van "avoir" met vertaling :
stopwatch
00:00

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Link

Wat betekent "tu as"?
A
zij hebben
B
hij heeft
C
jij hebt
D
ik heb

Slide 8 - Quizvraag

Wat betekent "nous avons"?
A
ik heb
B
u heeft
C
wij hebben
D
zij hebben

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent "il a" ?
A
hij heeft
B
zij heeft
C
u heeft
D
zij hebben

Slide 10 - Quizvraag

Hoe vertaal je "men heeft" in het Frans ?
timer
1:00
A
ils ont
B
nous avons
C
j'ai
D
on a

Slide 11 - Quizvraag

Hoe vertaal je "zij hebben" in het Frans ?
timer
1:00
A
ils ont
B
elle a
C
vous avez
D
tu as

Slide 12 - Quizvraag

A. optreden

B. ontdekt worden

C. zin hebben om te 

A. zij  heeft
B. zij hebben
C.  men heeft
D.  jullie hebben
E. jij / je hebt
F. wij hebben
1.  nous  avons
2.  tu  as
3.  ils  ont
4.  on  a
5.  vous avez
6.  elle  a

Slide 13 - Sleepvraag

Au  revoir

Slide 14 - Tekstslide

maintenant le verbre être

Slide 15 - Tekstslide

La roue
Vervoeg het werkwoord être.

Slide 16 - Tekstslide

Être = zijn
je suis = ik ben
tu es = jij bent
il / elle est = hij / zij is
on est = wij zijn
nous sommes = wij zijn
vous êtes = jullie zijn, u bent
ils/elles sont = zij zijn

Slide 17 - Tekstslide

Elle ... une fille.
A
es
B
est
C
suis

Slide 18 - Quizvraag

Je ... Pierre.
A
suis
B
sont
C
es

Slide 19 - Quizvraag

Nous ... à l'école.
A
sont
B
êtes
C
sommes

Slide 20 - Quizvraag

Non, je ... néerlandais.

Slide 21 - Open vraag

Vertaal: Hij is Frans.

Slide 22 - Open vraag