Spelling zinsdelen

Spelling zinsdelen
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 8

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Spelling zinsdelen

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

zinsdelen en dictee
  • herhaling zinsdelen
  • dictee
  • quiz / kahoot
  • Werkboek maken we morgenochtend

Slide 3 - Tekstslide


___________ geeft het balletje aan ___________.


persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 4 - Tekstslide


___________ geeft het balletje aan ___________.

_________ heeft het ballonnetje naar _________ gebracht.


persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 5 - Tekstslide


___________ geeft het balletje aan ___________.

_________ heeft het ballonnetje naar _________ gebracht.

Wil ___________ het kettinkje aan __________ geven?


persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 6 - Tekstslide


___________ geeft het balletje aan ___________.

_________ heeft het ballonnetje naar _________ gebracht.

Wil ___________ het kettinkje aan __________ geven?

____________ en ____________ hebben twee propjes bij een klasgenoot gelegd.


persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 7 - Tekstslide


___________ geeft het balletje aan ___________.

_________ heeft het ballonnetje naar _________ gebracht.

Wil ___________ het kettinkje aan __________ geven?

____________ en ____________ hebben twee propjes bij een klasgenoot gelegd.

De Kopieën van ____________ worden doorgegeven naar ____________.
persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

het dictee

Slide 10 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet

Slide 11 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet
de knieën
het lichaam


Slide 12 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet
de knieën
het lichaam

Red haar!

Slide 13 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet
de knieën
het lichaam

Red haar!
André vroeg: 'Heeft de dokter de slang geïdentificeerd?'

Slide 14 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet
de knieën
het lichaam

Red haar!
André vroeg: 'Heeft de dokter de slang geïdentificeerd?'
Er bestaan meer dan tweeëndertig soorten pythons.

Slide 15 - Tekstslide

het dictee
de slangenbeet                                                               login op Lessonup
de knieën                                                                         code: 
het lichaam

Red haar!
André vroeg: 'Heeft de dokter de slang geïdentificeerd?'
Er bestaan meer dan tweeëndertig soorten pythons.

Slide 16 - Tekstslide

het dictee
                                                              login op Lessonup
                                                              code: 

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 19 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend voorwerp

Slide 20 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
lijdend voorwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend v oorwerp

Slide 21 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend voorwerp

Slide 22 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 23 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
lijdend voorwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend voorwerp

Slide 24 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
werkwoordelijk gezegde
C
meewerkend voorwerp
D
onderwerp

Slide 25 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
werkwoordelijk gezegde
C
lijdend voorwerp
D
onderwerp

Slide 26 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
lijdend voorwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend voorwerp

Slide 27 - Quizvraag


A
meewerkend voorwerp
B
werkwoordelijk gezegde
C
lijdend voorwerp
D
onderwerp

Slide 28 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
werkwoordelijk gezegde
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 29 - Quizvraag


A
meewerkend voorwerp
B
werkwoordelijk gezegde
C
lijdend voorwerp
D
onderwerp

Slide 30 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
werkwoordelijk gezegde
C
lijdend voorwerp
D
onderwerp

Slide 31 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 32 - Quizvraag


A
persoonsvorm
B
onderwerp
C
werkwoordelijk gezegde
D
meewerkend voorwerp

Slide 33 - Quizvraag

Slide 34 - Tekstslide


We feliciteren 

 ________________ .


persoonsvorm

onderwerp

werkwoordelijk gezegde

lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide