Les 1 (non)Fictie , (niet)realistisch, verhaalsoort
Cursus fictie
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2
In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
Cursus fictie
Slide 1 - Tekstslide
Les 1
Je leert over setting en sfeer
Je kan de setting van een verhaal benoemen
Slide 2 - Tekstslide
Waar denk je aan bij de setting en sfeer van een verhaal?
Slide 3 - Woordweb
setting
Betekenis: De setting bestaat uit de plaats, tijd en omstandigheden waar het verhaal zich afspeelt.
Plaats bijvoorbeeld: in een bepaald land
Tijd bijvoorbeeld: heden, verleden, een bepaald jaar
Omstandigheden bijvoorbeeld: oorlog, een sneeuwstorm
Slide 4 - Tekstslide
Wat is sfeer?
Betekenis: De plaats, tijd en omstandigheden zijn samen vaak heel bepalend voor de sfeer van een verhaal.
De sfeer kan bijvoorbeeld griezelig, dreigend, benauwend, kil, geheimzinnig, ontspannen, verveeld, romantisch of onbezorgd zijn.
Slide 5 - Tekstslide
Les 2
Je leert over tijd in verhalen.
Je weet wat het vertelheden is en kent detijdsprongen.
Slide 6 - Tekstslide
Even herhalen: Wat kan je vertellen over de setting in Broergeheim?
Slide 7 - Open vraag
Slide 8 - Video
In Oorlogswinter is de sfeer:
A
ontspannen
B
romantisch
C
dreigend
D
onbezorgd
Slide 9 - Quizvraag
Tijdsprong vooruit en achteruit
De meeste verhalen worden niet in de chronologische volgorde verteld: er vinden tijdsprongen plaats.
tijdsprong vooruit:
-een deel van het verhaal wordt niet verteld. Hoofdstuk 1 eindigt op 7 januari en in het volgende hoofdstuk is het 28 maart.
tijdsprong achteruit:
-noem je een flashback. Er wordt iets beschreven wat eerder is gebeurd.
Slide 10 - Tekstslide
Les 3
Je leert over verhaallijnenin verhalen.
Je weet wat het perspectief is in een verhaal.
Slide 11 - Tekstslide
Verhaallijnen
Veel boeken hebben één verhaallijn, maar er zijn ook boeken met meerdere verhaallijnen. Een verhaallijn beschrijft wat een personage allemaal meemaakt.
Als er meerdere verhaallijnen zijn, weet je dus van meerdere personages wat ze meemaken.
Slide 12 - Tekstslide
Perspectief
Het verhaal heeft meerdere hoofdpersonen die elk hun eigen perspectief hebben (dat kan een ik-perspectief zijn, maar ook een hij/zij-perspectief).
Perspectief = door wiens ogen volg je als lezer het verhaal/met wie lees je mee.
Slide 13 - Tekstslide
Les 4
Je leert over spanningin verhalen.
Je weet wat het perspectief is in een verhaal.
Slide 14 - Tekstslide
Spanning
Spanning ontstaat bijvoorbeeld doordat er iets spannends, gevaarlijks of onverwachts gebeurt. Denk aan een ontvoering of achtervolging.
Twee soorten spanning:
- actiespanning: vaak een ‘gejaagde’ stijl: de gebeurtenissen volgen elkaar in hoog tempo op
- psychologische spanning
Slide 15 - Tekstslide
Psychologische spanning
Psychologische spanning kan onder andere worden opgeroepen door:
- inleven in een personage
- open plekken: het verhaal roept vragen op waarop je graag een antwoord wilt hebben
- een onderbreking van het verhaal door bijvoorbeeld een cliffhanger (een hoofdstuk eindigt op een heel spannend moment), een tijdsprong of wisseling van perspectief
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Video
In Black Panther herken je:
A
actiespanning
B
psychologische spanning
Slide 18 - Quizvraag
Noem een voorbeeld uit een film waar je actiespanning of psychologische spanning zag/voelde.
Slide 19 - Open vraag
In de bibliotheek staan pictogrammen op de boeken, zodat je kunt zien bij welk genre een boek hoort. Een genre geeft aan wat voor een soort verhaal in het boek wordt verteld, bijvoorbeeld griezelverhaal of een verhaal over geschiedenis.