adverbs & adjectives part 1

Bijwoorden en bijvoeglijk naamwoorden 
Adverbs and Adjectives
A2
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
engelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bijwoorden en bijvoeglijk naamwoorden 
Adverbs and Adjectives
A2

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan wij vandaag doen?
korte uitleg + oefenen
samen opdracht maken
huiswerk 

Slide 2 - Tekstslide

Doelen van de les 

-  aan het einde van de les weten we het verschil tussen een bijvoeglijk naamwoord en het bijwoord

- aan het einde van de les weten we hoe we deze moeten toepassen.

Slide 3 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord & bijwoord
woorden die iets zeggen over een ander woord.

that girl is beautiful 
that girl sings beautifully 

he is a quick runner
he runs quickly 



Slide 4 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord?
om een zelfstandig naamwoord te beschrijven 

de witte telefoon -> the white phone
een mooi huis -> a beautiful house 
een dure telefoon -> an expensive phone

voorbeelden: slow, beautiful, quick, complete, white, expensive

Slide 5 - Tekstslide

Bijwoord 
om een werkwoord te beschrijven 
het is net als een bijvoeglijk naamwoord, alleen staat er vaak -ly achter

ik droom stilletjes     - I dream quietly 


 voorbeelden:  slowly, beautifully, quickly, completely


Slide 6 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord

Bijwoord

extremely 
beautiful
amazing
beautifully
red
gently
carefully
slow

Slide 7 - Sleepvraag

bijwoorden 
bijwoorden zeggen iets over het werkwoord.  (de manier hoe iets word gedaan). 


- he walks quickly 

- you sing beautifully

bijvoeglijk
naamwoorden   
  
Zeggen iets over een zelfstandig naamwoordmens, dier of ding 

- he has a red car .

- That girl is beautiful 



Slide 8 - Tekstslide

Bijwoorden
eindidgen bijna altijd op  -ly

Maar let op: sommige bijwoorden hebben een eigen vorm:
good > is als bijwoord  well
He is a good person  -
He speaks  English well 
 
He runs fast ( niet fastly)

Slide 9 - Tekstslide

even oefenen 
kies tussen de juiste vorm bijvoeglijk naamwoord of bijwoord 

- Could you please drive more slow/slowly.
- His room is always very neat/neatly.
- He played the game very good/well.
- Sam was a brave/bravely man.

Slide 10 - Tekstslide

That teacher always helps you quickly/quick
A
quickly
B
quick

Slide 11 - Quizvraag

I like to live in a clean/cleanly house.
A
clean
B
cleanly

Slide 12 - Quizvraag

Vragen 
- Zegt het iets over een werkwoord?
- Zegt het iets over een zelfstandig naamwoord?

Slide 13 - Tekstslide