Veel gemaakte fouten in de schrijfopdrachten

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Tijdsaanduidingen 

in september, in januari, in de zomer = maanden & seizoenen

op maandag, op dinsdag
= dagen, dagdelen

om half 5, om 1 uur = tijd


im September, im Januar, im Sommer

am Montag, am Dienstag


um halb 5, um 1 Uhr

Slide 2 - Tekstslide

Datum

De datum schrijf je in het Duits met een punt achter de dag en ook achter de maand. 

Als je de datum als getal schrijft, gaat dit op de volgende manier: 

Een andere manier is: 







31.12.2015. 

31. Dezember 2015

Slide 3 - Tekstslide

Datum

Stel je wilt aangeven dat je van 23 oktober t/m 5 december kunt:




vom 23. Oktober bis zum 5. Dezember

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdlettergebruik
  • Begin van de zin
  • Namen (personen, regio’s, landen, talen, merken...)
  • Beleefdheidsvorm van persoonlijke voornaamwoorden (Sie-vorm)
  • Zelfstandige naamwoorden (woorden waar een lidwoord – der, die, das – voor kan staan)

Slide 5 - Tekstslide

Gebruik van de voorzetsels nach, zu & in
nach
zu
in
vertaling: naar (of na)
vertaling: naar
vertaling: naar
'nach' gebruik je bij steden en landen (zonder een vast lidwoord)
Ich fahre nach Hamburg. 
Je gebruikt 'zu' als je ergens naartoe gaat. Dat kan de school zijn of de supermarkt. (bij dingen)
Ich fahre zur Schule.
Je gebruikt 'in' bij landen met een lidwoord.
Wir fliegen in die Schweiz.
Wir fliegen in die USA.

Vaste uitdrukkingen:
nach Hause
nach rechts/links

Ook gebruik je het als je naar iemand toe gaat, dus bij personen.
Ich gehe zu Sylvia.

Ook gebruik je in bij vaste combinaties
in die Schule / in die Kirche / in die Disko gehen
ins Theater / ins Konzert / ins Museum / ins Bett gehen

Slide 6 - Tekstslide

Gebruik van de voorzetsels für & vor
für
vor
vertaling: voor
vertaling: voor
in de betekenigs van ten behoeven van:

Ich kaufe ein Geschenk für meine Schwester. 
bij een plaatsbepaling (3e of 4e naamval):

Der Wagen steht vor der Tür. 

Een tijdsduur aangeven:

Er kommt für eine Woche zu uns.
bij een tijdsbepaling (3e naamval), in de betekenis van (een bepaalde tijd) geleden:

Vor einer Woche war ich noch beim Zahnarzt. 

Slide 7 - Tekstslide

Gebruik van 'lecker' 
In het Nederlands gebruiken we het woord 'lekker' erg vaak. 
Bijvoorbeeld: Het is lekker weer! Of 'Gelukkig hebben we nu lekker vrij'. 
In het Duits gebruik je 'lecker' alleen in combinatie met eten of drinken. 

Slide 8 - Tekstslide

GOED
Wie geht es dir?
Mir geht es gut. 


FOUT
Wie geht es mit dir?
Mit mir geht es gut. 

Slide 9 - Tekstslide

Gebruik van 'wann', 'wenn' & 'als'
wann
wenn
als
vertaling: wanneer (in tijdstippen, hoe laat)
vertaling: wanneer, als, indien
vertaling: toen (drukt een gebeurtenis in het verleden uit)
Wann sehen wir uns wieder?
Wenn die Sonne scheint, ist es wärmer. 
Wenn ich hunger habe, esse ich etwas. 
Als ich in Berlin war, habe ich Currywurst gegessen. 

Slide 10 - Tekstslide

Verschil tussen 'nach Hause' & 'zu Hause'
nach Hause
zu Hause
naar huis
thuis
Ich gehe nach Hause. 
Ich bin zu Hause. 

Slide 11 - Tekstslide

Interpunctie - komma
In het Duits staat tussen een hoofdzin en een bijzin altijd een komma - voor het voegwoord.
Bijvoorbeeld: 
  • Sie blieb zu Hause, weil sie krank ist. 
  • Sie waren arm, aber glücklich. 

Slide 12 - Tekstslide

Interpunctie - komma
Als de zinnen worden verbonden met 'und' of 'oder' staat er geen komma

Bijvoorbeeld: 
  • Bald gibt es Ferien und dann fahren wir nach Mallorca.
  • Gehst du schon schlafen oder liest du noch ein paar Seiten?

Slide 13 - Tekstslide

Interpunctie - komma
Het is gebruikelijk om tussen twee naast elkaar staande persoonsvormen een komma te zetten.

Bijvoorbeeld: 
  • Was sie präsentiert hat, ist sehr interessant. 

Slide 14 - Tekstslide

Interpunctie - komma
Na de aanhef boven een e-mail of een brief volgt een komma.
 
Bijvoorbeeld: 
  • Lieber Jan,
  • Liebe Lisa,

NA DE AFSLUITING VOLGT GEEN KOMMA!!!!

Slide 15 - Tekstslide

Onbepaald voornaamwoord 'man' (aanduiding voor een niet nader bepaald persoon)
Het komt overeen met het Nederlandse men maar ook met je en ze in algemene, onbepaalde betekenis. Het Nederlandse men is nogal stijf: dat is bij het Duitse man niet het geval. 

Bijvoorbeeld:
Dazu bracht man schon eine Menge Geld. - Daarvoor heb je wel een boel geld nodig. 
Gestern hat man schon wieder in unserem Viertel eingebrochen. - Gisteren hebben ze alweer in onze wijk ingebroken. 

Slide 16 - Tekstslide

Gebruik van 'es gibt' 
es gibt betekent er is/er zijn. Na es gibt volgt een Akkusativ. 
Es gibt gebruik je in algemene uitspraken. 
es gab is de verleden tijdsvorm. 

Bijvoorbeeld:
Es gibt viele Sehenswürdigkeiten in dieser Stadt. 
Es gibt leckeres Essen. 

Slide 17 - Tekstslide

'gaan'in het Duits 
In het Nederlands wordt de toekomst vaak gecombineerd met gaan.  Bijvoorbeeld: Ik ga morgen een taart bakken of Wij gaan volgende week trouwen. 
In het Duits vertaal je dit met werden of je laat het 
weg!
Ich werde morgen einen Kuchen backen. 
Wir werden nächste Woche heiraten. 
ich werde
du wirst
er/sie/es wird
wir werden
ihr werdet
wir werden

Slide 18 - Tekstslide

'gaan'in het Duits 
In het Duits kan je gehen alleen gebruiken als men werkelijk ergens naartoe gaat:

Ich gehe einkaufen. 
Gehst du schon ins Bett?
Wir gehen nach Hause. 

Slide 19 - Tekstslide

GOED
Ich fahre in den Urlaub. 

Ich bin im Urlaub. 


FOUT
Ich fahre auf Ferien. 

Ich bin auf Ferien. 

Slide 20 - Tekstslide

GOED
Ich komme aus den Niederlanden.
FOUT
Ich komme aus die Niederlande

Slide 21 - Tekstslide

GOED
Ich bin 14 Jahre alt. 
FOUT
Ich bin 14 jahre alt.

Slide 22 - Tekstslide

GOED
Im Augenblick (= op het moment, momenteel)

Ich arbeite 2 Tage in der Woche. 

In meiner Freizeit spiele ich Fußball
FOUT
Auf Augenblick


Ich arbeite 2 Tage in die Woche.

In meine Freizeit spiele ich Fußball. 

Slide 23 - Tekstslide

GOED
Im Augenblick (= op het moment, momenteel)

Ich arbeite 2 Tage in der Woche. 

In meiner Freizeit spiele ich Fußball
FOUT
Auf Augenblick


Ich arbeite 2 Tage in die Woche.

In meine Freizeit spiele ich Fußball. 

Slide 24 - Tekstslide

GOED
Liebe Grüße

Laura
FOUT
Liebe Grüße Laura

Liebe Grüße,

Laura

Slide 25 - Tekstslide