M&M thema 4 blok 4: Karel de Grote.

M&M blok 4: Karel de Grote.
Waar gaat dit blok over?
Hoe grote rijken in de Middeleeuwen (500-1500) worden bestuurd.
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens en maatschappijMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

M&M blok 4: Karel de Grote.
Waar gaat dit blok over?
Hoe grote rijken in de Middeleeuwen (500-1500) worden bestuurd.

Slide 1 - Tekstslide

Les 1
In dit blok gaan we bespreken :
1: Het Frankische Rijk
2: Het Oost-Romeinse Rijk/Byzantijnse Rijk.
3: Het Arabische Rijk.

Slide 2 - Tekstslide

Het Frankische Rijk
* Karel de Grote koning van het Frankische Rijk.
* Het leven van een ridder.

Slide 3 - Tekstslide

Besturen
* Hoe bestuurde Karel de Grote zijn grote rijk?
* Wat zijn edelen?
* Het leenstelsel met een leenheer , leenmannen en achter leenmannen.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Het kruis of het zwaard.
* Kerstening; bekering tot het christendom door missionarissen.
* Karel de Grote van koning tot keizer van het Frankische Rijk
 ( voorheen het West-Romeinse Rijk )

Slide 6 - Tekstslide

Het Oost-Romeinse Rijk.
* Scheiding Romeinse Rijk in West en Oost.
* Oost Romeinse Rijk = Byzantijnse Rijk.
* Constantinopel = Istanbul.
* Byzantijnen waren rijk en christelijk.

Slide 7 - Tekstslide

Op welke 2 manieren kwam Karel de Grote aan zo een groot rijk?
A
Hij was door God uitgekozen.
B
Erfde het rijk van zijn ouders.
C
Hij was een rijke ridder.
D
Hij veroverde land door oorlog te voeren.

Slide 8 - Quizvraag

Hoe bestuurde Karel de Grote zijn grote rijk.
A
Via God.
B
Via leenmannen.
C
Via monniken.
D
Via rechters.

Slide 9 - Quizvraag

Bedenk welk nadeel deze manier van besturen had voor Karel de Grote.

Slide 10 - Open vraag

Hoe zorgde Karel de Grote dat iedereen in zijn rijk christen werd?

Slide 11 - Open vraag

Klopt de stelling: De paus had de wereldlijke macht en de keizer had de geestelijke macht?
A
Ja.
B
Nee.

Slide 12 - Quizvraag

Bedenk een overeenkomst tussen het West-Romeinse en Oost-Romeinse rijk.

Slide 13 - Open vraag

Korte terugblik vorige les
De Middeleeuwen duren van 500..tot.1500.
Het tijdvak heet het tijdvak van Monniken en Ridders.
Dit duurde van 500.... tot 1000.....

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

In duo's elkaar uitleggen
Hoe bestuurde Karel de Grote zijn grote rijk?
* Wat zijn edelen?
* Leg het leenstelsel uit en gebruik:  leenheer , leenmannen en achterleenmannen, horigen.

Slide 16 - Tekstslide

Een donjon, of mottekasteel, was een versterkte wachttoren. Hier woonde de heer als er gevaar was.
Het gebied buiten het domein bestond uit de grond van de vrije boeren en de woeste gronden, onontgonnen gebied en bossen.
De vrije boeren moesten tijdens een oorlog wél meevechten met de heer. De wapenuitrusting moesten ze zelf betalen.
De akkers van de heer werden bewerkt door horigen. Er waren akkers waarbij de volledige opbrengst naar de heer ging, en er waren akkers waarbij een deel van de opbrengst voor de horige boeren was. Overigens moesten ze hun pacht ook weer van deze opbrengst betalen.
Het vroonhof was de boerderij (hoeve) van de heer. Hier woonde de heer als er geen gevaar was. De opbrengsten van zijn akkers werd in schuren opgeslagen. In woningen naast een vroonhof woonden de horige boeren in geval van gevaar, zoals oorlog.
Bij het vroonhof waren stallen voor de dieren en boomgaarden.
Horigen woonden in vredestijd buiten het vroonhof
Met het hofstelsel bedoelen we het hele systeem (stelsel) van heren en horigen, inclusief de pacht en de herendiensten.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Veel plichten,
weinig rechten

  • Iedereen op het domein van de heer hoorde bij het domein
  • De boeren waren horigen van de heer: ze moesten gehoorzaam zijn
  • Om op de grond van de heer te kunnen wonen, moest je pacht betalen.
  • De horigen waren ook verplicht om herendiensten, klusjeste doen.
  • Een horige moest overal toestemming voor vragen, ook om te trouwen

Slide 19 - Tekstslide


Ridders en kastelen

  • Ridders waren strijders te paard die vochten voor een heer
  • In ruil daarvoor kreeg hij een paard, de wapenuitrusting en een kasteel
  • In naam van de heer sprak hij soms ook recht in zijn gebied.
  • Ridders woonden in kastelen, maar dat waren in het begin vaak houten boerderijen, die pas later van steen werden.
  • De meeste kastelen die er nu nog staan zijn van na het jaar 1000

Slide 20 - Tekstslide

Samen lezen
Blz 77 tekst besturen samen lezen
Welke taken hadden edelen?
1Welke voordelen kregen zij? Weet je het Franse woord hiervoor?


Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Boeren en horigen
Edelen
Geestelijken

Slide 23 - Sleepvraag

Geestelijken
Edelen
Priester
Hertog
Graaf
Monniken
Nonnen
Keizer

Slide 24 - Sleepvraag

Wat is een goed voorbeeld
van een leenstelsel?
A
De koning bestuurt zijn land helemaal in zijn eentje.
B
De koning heeft ministers die hem advies geven over het bestuur van zijn land.
C
De koning heeft niets te zeggen over het bestuur van zijn land.
D
De koning heeft zijn land in twintig stukken verdeeld. Ieder stuk wordt bestuurd door een vriend van hem.

Slide 25 - Quizvraag

Welke plicht heeft een leenman?
A
Hij moet in zijn gebied doen waar hij zin in heeft.
B
Hij moet elke ochtend bijtijds opstaan.
C
Hij moet trouw beloven aan zijn leenheer.

Slide 26 - Quizvraag

Slide 27 - Tekstslide

Aan de slag!
* Maken de opdrachten van blok 4.
opdr: 1, 2, 3, 5, 6A, 7, +
9-12-14-15-19-20

Slide 28 - Tekstslide

Controleren!
* Maken de opdrachten van blok 4.
opdr: 1, 2, 3, 5, 6A, 7, +
1-2-3 zijn nagekeken

Slide 29 - Tekstslide

Les 2 
* Het Arabische Rijk.
* De islamitische cultuur.

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Video

Het Arabische Rijk.
* Het Midden-Oosten wonen Arabieren.
*Visioen van Mohammed in Mekka.
* Mohammed verdreven naar Medina en terugkeer naar Mekka.
* De Koran.

Slide 32 - Tekstslide

Vervolg, het Arabische Rijk.
* Mohammed bekeerde de Arabieren tot de Islam.
* Arabische volken verenigd en spreiden het geloof.
* Via Straat van Gibraltar naar Spanje.
* In Turkije tegengehouden door de Byzantijnen.

Slide 33 - Tekstslide

Welke godsdienst is NIET monotheïstisch?
A
Hindoeïsme
B
Islam
C
Jodendom
D
Christendom

Slide 34 - Quizvraag

Vul De juiste woorden in.
De Byzantijnen waren .............. en bouwden................ en de Arabieren bouwden.............
A
Moslims, moskeeën, kerken
B
Christenen, kerken, moskeeën.
C
Joden, kerken, Moskeeën
D
ongelovigen, moskeeën, kerken.

Slide 35 - Quizvraag

Islamitische cultuur.

Slide 36 - Woordweb

De islamitische cultuur.
* In Andalusië wonen moslims, christenen en joden.
* Leefregels voor niet moslims.
* Voordeel om moslim te zijn (zie ook verdrag van Omar)
* verspreiding Arabische religie, taal en cultuur, en cultuur-overname van veroverde volken.

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Video

Bij welk geloof hoort dit gebouw?
A
Christendom
B
Jodendom
C
Islam
D
Hindoeïsme

Slide 39 - Quizvraag

Het heilige boek; de thora hoort bij?
A
Jodendom
B
Christendom
C
Hindoeïsme
D
Islam

Slide 40 - Quizvraag

Wat is de overeenkomst tussen de moslims, christenen en joden.

Slide 41 - Open vraag

Aan de slag!
* Maken opdrachten blok 4.
9-12-14-15-19-20

Slide 42 - Tekstslide