3HV Regeling

3HV Regeling
Boekje met opdrachten 
Toets week : heel het boekje 

1 / 61
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 61 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 9 videos.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

3HV Regeling
Boekje met opdrachten 
Toets week : heel het boekje 

Slide 1 - Tekstslide

Hernia opzoeken 
Les 1 Het zenuwstelsel
-Je kunt de bouw en functies van het zenuwstelsel beschrijven.
- Uitleggen hoe prikkels worden omgezet naar impulsen
- Je kunt de bouw en functie van drie typen zenuwcellen en van zenuwen beschrijven.
- Bouw en functie van de hersenen beschrijven 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderdelen van het zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel (CZS)
grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en het ruggenmerg

Perifeer zenuwstelsel (PZS):
de zenuwen die alle lichaamsdelen verbinden met het centrale zenuwstelsel

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Centraal Z.S
  • Grote hersenen
  • Kleine hersenen: balans, fijne motoriek
  • Hersenstam: ademhaling, hartslag
  • Ruggenmerg

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ruggenmerg 
  • Bevat zenuwen die van en naar hersenen gaan
  • Verbindt CZS met PZS

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Zenuwcel (neuron)
  • Dendriet: impuls komt binnen
  • Cellichaam: celorganellen
  • Axon: vervoert impuls naar synaps
  • Synaps: uiteinde axon, impuls springt over naar volgende zenuwcel

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten neuronen
  • Gevoelszenuwcel (sensorisch neuron): zintuigcel ontvangt prikkels en zet die om naar impuls in dendriet gevoelszenuwcel

  • Schakelcel: schakel tussen gevoelszenuwcel en bewegingszenuwcel

  • Bewegingszenuwcel (motorisch neuron): ontvangt impuls van schakelcel, axon stuurt spier of klier aan

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zenuwen
Uitlopers van zenuwcellen gebundeld in zenuwen.

  • Gevoelszenuwen: alleen uitlopers van sensorische zenuwcellen
  • Bewegingszenuwen: alleen uitlopers van motorische zenuwcellen
  • Gemengde zenuwen: bevat uitlopers van beide zenuwcellen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prikkel - impuls - respons
  • Perifeer zenuwstelsel: zenuwen. Dendriet, cellichaam en axon gevoelszenuwcel, axon bewegingszenuwcel
  • Centraal zenuwstelsel: ruggenmerg en hersenen. Axon gevoelszenuwcel, schakelcel, dendriet en cellichaam bewegingszenuwcel

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Les 2: Bouw en werking zintuigen 
Werking van zintuigen beschrijven
Ligging zintuigen benoemen met hun prikkel
Uitleggen wanneer zintuigen prikkels omzetten in zenuwimpulsen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zintuig(cellen)
  • Zintuig: een orgaan dat op prikkels reageert
  • Prikkel: een invloed uit de omgeving op een organisme, wordt door zintuig opgevangen
  • Zintuigcellen: cellen in de zintuigen die zijn aangesloten op gevoelszenuwcellen, laten impuls ontstaan

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ligging zintuigen

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prikkels verwerken
Zintuigen zetten prikkels 
om in impulsen. 

Een impuls is een elektrisch stroompje door een zenuw

impulsen gaan door het zenuwstelsel


Aantekening

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsen
  • Drempelwaarde: kleinste prikkelsterkte die een impuls veroorzaakt
  • Adequate prikkel: het type prikkel waar een zintuigcel speciaal gevoelig voor is
  • Gewenning: het ontstaan van minder impulsen bij het aanhouden van een prikkel

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prikkel verwerking
De prikkel moet eerst een drempelwaarde bereiken. 


Als je langdurig dezelfde prikkel binnen krijgt noemen we dit gewenning.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 1-2 minuten
Verklaar aan de hand van het principe van de impulsfrequentie wat de relatie tussen het zenuwstelsel en telefoonverslaving is.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord
Een hogere impulsfrequentie leidt tot meer prikkels in het zenuwstelsel en dit zorgt ervoor dat er meer dopamine wordt vrijgelaten

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Opdrachten les 2
Nakijken opdracht les 1
Klaar? start met les 3

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huid
Warmtezintuigen reageren als je huid iets aanraakt dat warmer is dan je huid.
Koudezintuigen reageren als je huid iets aanraakt dat kouder is dan je huid.
Drukzintuigen reageren als er op je huid wordt gedrukt.
Tastzintuigen reageren op een lichte aanraking van je huid.

Slide 24 - Tekstslide

Met je tastzintuigen kun je waarnemen hoe voorwerpen aanvoelen, bijvoorbeeld glad, ruw, hard of zacht. De tastzintuigen liggen in tastknopjes.
Oog
  • Staafjes (grijstinten) en kegeltjes (kleur) op netvlies
  • Kegeltjes hogere drempelwaarde dan staafjes
  • Vangen licht op en geven impuls door naar oogzenuw
  • Geen zintuigcellen waar oogzenuw oog verlaat (blinde vlek)

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oor
  • Oorschelp vangt geluid op
  • Geluid via gehoorgang naar trommelvlies, begint te trillen
  • Trillingen van trommelvlies naar slakkenhuis via gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel)
  • Zintuigcellen in slakkenhuis geven impulsen door aan gehoorzenuw

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reflexen 
Reflexboog
Ruggenmerg- en hersenstamreflex

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Reflex (en reflexboog)
Reflexboog


  • Zintuigcel
  • Gevoelszenuwcel
  • Schakelcellen in
     ruggenmerg 
  • Bewegingszenuwcel

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reflexboog hersenstamreflex
  • Zintuigcel
  • Sensorische zenuwcel
  • Schakelcel (hersenstam)
  • Motorische zenuwcel
  • Spiercel

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Autonoom zenuwstelsel

Animaal zenuwstelsel

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het autonome zenuwstelsel
  • Parasympatisch zenuwstelsel: Beïnvloedt de organen waardoor het lichaam in een toestand van rust komt (denk aan: paradijs)
  • Orthosympatisch zenuwstelsel: Beïnvloedt de organen waardoor het lichaam in actie kan komen (denk aan: te laat bij de ortho, snel fietsen)

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Les 7 en 8
De leerling kan beschrijven hoe een impuls door een zenuwcel wordt geleid en waarom neurotransmitters nodig zijn voor signaaloverdracht tussen zenuwcellen.
De leerling kan uitleggen wat het verschil is tussen stimulerende en remmende neurotransmitters.
De leerling kan uitleggen hoe drugs de werking van neurotransmitters en daarmee de hersenactiviteit beïnvloeden.

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Synaps
  • Ruimte tussen twee zenuwcellen geleidt geen impulsen
  • Neurotransmitters geproduceerd als impuls bij einde axon aankomt
  • Neurotransmitters losgelaten in synaptische spleet
  • Binden aan receptoren volgende zenuwcel
  • Nieuwe impuls ontstaat

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Neurotransmitters
Prikkelend (Stimulerend)
Na⁺-ionen stromen naar binnen. (vwo stof)
De cel wordt minder negatief. 
Kans op een nieuwe impuls neemt toe.

Remmend 
De cel wordt negatiever.
Kans op een nieuwe impuls neemt af.

💡 Niet elke neurotransmitter zorgt dus voor een nieuwe impuls.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsoverdracht in 5 stappen

Impuls komt aan.
Neurotransmitters worden afgegeven.
Neurotransmitters binden aan receptoren.
Ionkanalen openen.
Wel of geen nieuwe impuls ontstaat.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Extra, geen leerstof  :Sarin gas
  • Wereldwijd verboden

  • Remt acetylcholine-esterase, neurotransmitter die betrokken is bij overdracht van impulsen op skeletspieren 

  • Gevolg? 




Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Drugs
  • Drugs beïnvloeden werking/ hoeveelheid neurotransmitters
  • Activiteit sommige hersengebieden verandert
  • Verschilt per persoon

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indeling Drugs
Verdovend
Opwekkende
  • Cafeïne
  • Nicotine
  • Cocaïne
  • Amfetamine
  • XTC¹
  • Anti-depressiva

Verdovend
  • Alcohol
  • Heroïne

  • Cannabis
  • Slaapmiddelen
  • Kalmerings-middelen
  • Anti-psychotica
Bewustzijnsveranderend
  • XTC²
  • LSD
  • Paddo’s/ truffels
  • Lachgas
  • 3MMC
  • Ketamine

Indeling van Drugs

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hersen ontwikkeling
  • Hersenen ontwikkelen tot 25 jaar
  • Alcohol verbreekt verbindingen tussen hersencellen
  • Verbindingen belangrijk voor goed functioneren

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Video

Deze slide heeft geen instructies

VWO:Impulsgeleiding

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsen
Tijdelijke wijziging van het potentiaalverschil (ladingverschil) tussen de buitenkant en de binnenkant van de zenuwcel. 

Start bij dendriet (of cellichaam) en verspreidt zich richting de uiteinden van het axon.


Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rustpotentiaal
Bij een zenuwcel in rust is het
verschil in lading tussen de
buitenkant van de cel en de
binnenkant (-70mV._

De binnenkant van de cel is 
negatief geladen ten opzichte
van de buitenkant.



Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ionen
Atoom met elektrische lading
In je lichaam zwemmen Na⁺ en K⁺ rond in water in je cellen en buiten je cellen. 

Ze zijn opgelost, net zoals zout in soep. En net zoals zout in soep elektrisch geladen is, zijn deze ionen dat ook.

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na+ poorten
Na+ poorten kunnen openen als gevolg van:
een chemische prikkel (neurotransmitter bij een zintuig/ in een synaps tussen twee zenuwcellen)
een elektrische prikkel (poorten ernaast gaan open)
een mechanische prikkel (tastzintuig)

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rustpotentiaal →Actiepotentiaal
Een zenuwcel heeft in rust een membraanpotentiaal van -70 mV (rustpotentiaal).

Door een prikkel gaan Na⁺- en K⁺-kanalen open en dicht.

Is de prikkel sterk genoeg? Dan ontstaat een actiepotentiaal.

Depolarisatie
Na⁺-ionen stromen de cel binnen.
Hierdoor wordt de binnenkant van de cel minder negatief.
De membraanpotentiaal stijgt van -70 mV richting 0 mV.

De membraanpotentiaal wordt minder negatief door instroom van Na⁺-ionen.

Slide 51 - Tekstslide

Na naar binnen → depolarisatie → piek → K naar buiten → repolarisatie → rust
Impulsrichting
Doordat volgende Na+ poorten openen als gevolg van de actiepotentiaal in de buurt 'loopt' de actiepotentiaal over het hele neuron. Van dendriet naar het uiteinde van alle axonen.

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impuls

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsrichting
Vanaf de depolarisatie is er een periode dat het neuron ongevoelig is voor nieuwe prikkels (refractaire periode), de Na+poorten kunnen nu even niet meer opnieuw geopend worden.

Deze periode is lang genoeg om te voorkomen dat de impuls ook weer terug gaat. De impuls gaat dus altijd maar één kant op.

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sprongsgewijze impulsgeleiding

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sprongsgewijze impulsgeleiding
De isolatie van de zenuwcellen zorgt ervoor dat de impuls grote sprongen maakt over de celmembraan van ongeïsoleerd deel naar ongeïsoleerd deel.

Sprongsgewijze impulsgeleiding gaat erg snel.

Slide 56 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beschrijf in de juiste volgorde wat er met Na⁺-ionen en K⁺-ionen gebeurt tijdens een actiepotentiaal. Gebruik de begrippen depolarisatie en repolarisatie in je antwoord. (2 stappen)

Slide 57 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij mensen met MS (multiple sclerose) zijn de myelinescheden van axonen beschadigd.

Leg uit waarom impulsen bij MS-patiënten langzamer worden geleid dan bij gezonde mensen. Gebruik in je antwoord de begrippen insnoering en sprongsgewijze impulsgeleiding. (2 punten)

Slide 58 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Centraal en perifeer zenuwstelsel, hersenen, ruggenmerg, zenuwcel
  • Zintuigen, prikkels, impulsen
  • Zintuigcellen huid, oor en oog
  • Reflexen, reflexboog, ruggenmerg- en hersenstamreflex
  • Synaps, neurotransmitters, effecten van drugs (eigen drug leren!), hersenontwikkeling

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 60 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 61 - Video

Deze slide heeft geen instructies