Deeltaak 4 Week 2

Deeltaak 4 Week 2
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Deeltaak 4 Week 2

Slide 1 - Tekstslide

Hattet ihr schöne Ferien??
Im nächsten Slide könnt ihr in Stichworten "erzählen"was ihr gemacht habt. 

Slide 2 - Tekstslide

Ferien

Slide 3 - Woordweb

Lernziele für heute
- Ihr könnt eine Reportage über die Berufswahl verstehen
- Ihr könnt wichtige Details aus einer Reportage verstehen
- Ihr lernt die starken Verben mit a im Stamm zu deklinieren
(vervoegen) 

Slide 4 - Tekstslide

Planung für heute
    Planning:
     - Aufgabe  13 hören
    - Erklärung sterke werkwoorden met  a in de stam
    - afsluiting
                  

    Slide 5 - Tekstslide

    Berufsberatungscamp
    Seite 60, Aufgabe 13

    Slide 6 - Tekstslide

    Lies die Einleitung!
    Was kann man in einem Berufsberatungscamp machen?

    Slide 7 - Open vraag

    Augabe 13 B
    Höre dir die Einleitung an und kreuze alle richtigen Antworten an. ( Zet ze daarna in de chat van Teams)

    Slide 8 - Tekstslide

    Slide 9 - Link

    Höre dir die Reportage an und kreuze an: richtig oder falsch. Maak dan een foto en lever deze in.

    Slide 10 - Open vraag

    Antworten
    1 R, 2F, 3F, 4R, 5F, 6R, 7F

    Hoeveel had je goed? Zet het in de chat!


    Slide 11 - Tekstslide

    Sterke werkwoorden
    Sterke werkwoorden noemen we werkwoorden die in de verleden tijd klinkerverandering krijgen. 
    Bijna altijd geldt: in het Nederlands sterk, in het Duits sterk. 
    (z.B.: schlafen, fahren, lesen,...)

    Slide 12 - Tekstslide

    Sterke werkwoorden
    met a-Umlaut

    Slide 13 - Tekstslide

    Welche Formen fallen auf?
    ich fahre, du fährst, er/sie/es fährt, wir fahren, ihr fahrt, sie/ Sie fahren
    A
    ich
    B
    du, er/sie/es
    C
    wir, ihr
    D
    Sie + sie

    Slide 14 - Quizvraag

    Sterke werkwoorden met a-Umlaut
    Sterke werkwoorden met een a in de stam krijgen in de tegenwoordige tijd bij du en er/ sie/ es/ man een Umlaut: ä

    schlafen:
    ich schlafe
    du schläfst


    Slide 15 - Tekstslide

    Sterke werkwoorden met a-Umlaut

    Slide 16 - Tekstslide

    Welche Form stimmt?
    schlafen: wij slapen (tegenwoordige tijd)
    A
    wir schlafen
    B
    wir schläfen

    Slide 17 - Quizvraag

    Welche Form stimmt?
    tragen: jij draagt (tegenwoordige tijd)
    A
    du tragt
    B
    du trägst
    C
    du tragest
    D
    du tragst

    Slide 18 - Quizvraag

    Schreibe die richtige Form auf Deutsch auf.
    wachsen (groeien):
    De plant groeit = Die Pflanze ......

    Slide 19 - Open vraag

    Schreibe die richtige Form auf Deutsch auf.
    Robert (fahren) ______ oft in die Ferien.

    Slide 20 - Open vraag

    Weet je hoe je een sterk werkwoord herkend en hoe je een sterk werkwoord met a in de stam moet vervoegen?
    ja
    nee

    Slide 21 - Poll

    Sterke werkwoorden met a-Umlaut

    Slide 22 - Tekstslide

    Habt ihr noch Fragen?
    Diese Woche: 
    Baustein 3, 4 und 5 (Wortschatz, Lesen und Grammatica (sterke werkwoorden met a in de stam)
    Luisterdossier 


    Slide 23 - Tekstslide