dit werk wil ik graag doen

Dit werk wil ik graag doen
Ster in schrijven
blz. 30 
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Dit werk wil ik graag doen
Ster in schrijven
blz. 30 

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel
Ik kan:

vragen stellen met waarom
antwoorden geven met want
zeggen waarom ik iets doe

Slide 2 - Tekstslide

Waarom
We gebruiken waarom om naar een reden te vragen.

Waarom + werkwoord + onderwerp?

Voorbeelden
Waarom leer je Nederlands?
Waarom ben je hier?

Waarom komt hij niet?

Slide 3 - Tekstslide

Want
Want = antwoord / uitleg
We gebruiken want om een reden te geven.
Want komt in het midden van de zin.

Voorbeelden
Ik leer Nederlands, want ik woon in Nederland.
Hij komt niet, want hij is ziek.

Ik ben blij, want ik heb vakantie.

Slide 4 - Tekstslide

Samen: waarom + want
Vraag:
Waarom ben je moe?

Antwoord:
Ik ben moe, want ik werk veel.

Slide 5 - Tekstslide

Let op !

❌ Waarom je leert Nederlands?
✅ Waarom leer je Nederlands?

❌ Want ik ben moe. (geen volledige zin)
✅ Ik ga naar huis, want ik ben moe.

Slide 6 - Tekstslide

Kleine oefening
Kies waarom of want.

___ kom je te laat?
Ik blijf thuis, ___ ik ben ziek.
___ leer je Nederlands?
Zij is blij, ___ ze heeft een baan.

Slide 7 - Tekstslide

Aan het werk
werkblad maken

boek: blz. 30 t/m 34 

Slide 8 - Tekstslide

Ster in lezen
blz. 41 (herhaling)
2. Zijn jongeren tevreden met hun vrije tijd 

Slide 9 - Tekstslide

Leerdoel
Ik kan:

korte teksten lezen
begrijpen waar de tekst over gaat
simpele vragen bij de tekst beantwoorden
twee dingen vergelijken
zeggen wat beter, groter of mooier is

Slide 10 - Tekstslide

Goed – beter – best 
Dit zijn vormen om te vergelijken.
1. Goed
Gebruik je bij één persoon of één ding.

Voorbeelden
Dit is goed.
Zij spreekt goed Nederlands.

Slide 11 - Tekstslide

2. Beter (vergrotende trap)

Gebruik je bij twee personen of dingen.
Vaak met dan.

Voorbeelden
Dit boek is beter dan dat boek.
Vandaag voel ik me beter dan gisteren.

Slide 12 - Tekstslide

3. Best (overtreffende trap)
Gebruik je bij meer dan twee.
Vaak met de of het.

Voorbeelden
Dit is het beste boek.
Zij is de beste student in de klas

Slide 13 - Tekstslide

Overzicht 

goed → beter → best

Let op 
❌ meer goed
❌ meest goed
✅ beter / best
Kleine oefening

Kies het juiste woord: goed – beter – best

Dit eten is __________.
Vandaag is het __________ dan gisteren.
Dit is __________ restaurant in de stad.

Slide 14 - Tekstslide

Aan het werk
Werkblad
blz. 42 t/m 47

Slide 15 - Tekstslide