In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Tekstslide
Welk tekstDOEL past bij deze tekst
A
informeren
B
ontspannen
C
activeren
D
overtuigen
Slide 4 - Quizvraag
Slide 5 - Tekstslide
Welk tekstDOEL past bij deze tekst
A
informeren
B
ontspannen
C
activeren
D
overtuigen
Slide 6 - Quizvraag
Slide 7 - Tekstslide
Welk tekstSOORT past bij deze tekst
A
informatieve tekstsoort
B
ontspannende tekstsoort
C
activerende tekstsoort
D
overtuigende tekstsoort
Slide 8 - Quizvraag
Slide 9 - Tekstslide
Welk tekstSOORT past bij deze tekst
A
informatieve tekstsoort
B
ontspannende tekstsoort
C
activerende tekstsoort
D
overtuigende tekstsoort
Slide 10 - Quizvraag
Slide 11 - Tekstslide
Welk tekstSOORT past bij deze tekst
A
informatieve tekstsoort
B
ontspannende tekstsoort
C
activerende tekstsoort
D
overtuigende tekstsoort
Slide 12 - Quizvraag
Slide 13 - Tekstslide
Voor jouw taak van Aardrijkskunde ben je op zoek naar een artikel over natuurrampen. Je bladert door de krant van gisteren en gaat hiernaar op zoek.
A
oriënterend lezen
B
zoekend lezen
C
globaal lezen
D
intensief lezen
Slide 14 - Quizvraag
Slide 15 - Tekstslide
Je zit in de metro. Schuin voor jou zit jouw buurman. Hij is zodanig geconcentreerd aan het lezen en verdiept in zijn boek dat hij je zelfs niet ziet. Op welke manier is hij aan het lezen?
A
oriënterend lezen
B
zoekend lezen
C
globaal lezen
D
intensief lezen
Slide 16 - Quizvraag
Je zit in de wachtkamer bij de dokter. Op het tafeltje naast jou liggen een aantal tijdschriften. Je kiest er ééntje uit door het oppervlakkig te bekijken. Je kijkt naar de foto's en de titels op de cover. Welke leesstrategie pas je toe?
A
oriënterend lezen
B
zoekend lezen
C
globaal lezen
D
intensief lezen
Slide 17 - Quizvraag
Slide 18 - Tekstslide
Van welk tekstverband is hier sprake? 'De jongen eet graag appels, peren en bananen.'
A
opsommend tekstverband
B
vergelijkend verband
C
chronologisch verband
D
beschrijvend verband
Slide 19 - Quizvraag
Van welk tekstverband is hier sprake? 'Hij ging eerst naar de judoles. Daarna had hij nog een afspraak bij de tandarts.'
A
opsommend tekstverband
B
vergelijkend verband
C
chronologisch verband
D
beschrijvend verband
Slide 20 - Quizvraag
Van welk tekstverband is hier sprake? 'Het was schitterend weer. De zon scheen. Een kleine briesje zorgde voor verkoeling. Het verliefde koppel was aan het pootjebaden.'
A
opsommend tekstverband
B
vergelijkend verband
C
chronologisch verband
D
beschrijvend verband
Slide 21 - Quizvraag
Van welk tekstverband is hier sprake? 'Zij is een zeer intelligent meisje. Haar broer daarentegen... dat is pas een catastrofe! Hij handelt zonder na te denken.'
A
opsommend tekstverband
B
vergelijkend verband
C
chronologisch verband
D
beschrijvend verband
Slide 22 - Quizvraag
Wat doe je als je de betekenis van een woord in de tekst niet kent?