A3. Geleiding in een zenuwcel (opg.10-14)

A3. Geleiding in een zenuwcel
Opgaven 10 en 11 als quiz
Huiswerk opgaven 12-14
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

A3. Geleiding in een zenuwcel
Opgaven 10 en 11 als quiz
Huiswerk opgaven 12-14

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

timer
1:00
Dendriet
Eindknopje
Cellichaam
Axonuiteinde
Celkern

Slide 3 - Sleepvraag

12b. Geef de drie soorten zenuwen en wat ze doen.
timer
1:00

Slide 4 - Open vraag

12c. Noem een overeenkomst en een verschil tussen passief transport en passieve geleiding.
timer
1:00

Slide 5 - Open vraag

Opgave 13. Analogie actiepotentiaal met doortrekken van de WC.

a. Op de knop drukken


b. Leeglopen van de stortbak


c. Vollopen van de stortbak
timer
1:00
Door prikkel wordt de membraanspanning groter dan de drempelspanning -60 mV
Er gaan meer Na-kanalen open en de membraanspanning stijgt tot 30 mV
Na is de cel in, en K de cel uit gestroomd en de Na/K pompen herstellen de rusttoestand

Slide 6 - Sleepvraag

Opgave 14a
  • Als PK=0 en PCl=0 dan blijven alleen de termen met Na over.
  • Dan vallen PNa in teller en noemer tegen elkaar weg.
  • Zetten we n=1 (lading Na is +1) in de formule erbij,
  • dan is de formule gelijk aan de vergelijking van Nernst.

Slide 7 - Tekstslide

Opgave 14b,c
  • De lading van Cl is -1. In de vergelijking van Nernst betekent dit dat het minteken kan worden weggelaten als teller en noemer in de logaritme worden omgedraaid. log (a/b) = log a - log b en - log (a/b) = log (b/a)
  • In de GHK-vergelijking met verschillende ionen is de n niet gelijk voor alle ionen en kan niet in de term vóór de logaritme worden gezet zoals bij de vergelijking van Nernst
  • De waarde van n wordt per ion vertaald naar binnen of buiten in teller of noemer.
  • c) alle waarden invullen in de GHK-vergelijking geeft Um = -71 mV

Slide 8 - Tekstslide

16a
Bij een prikkeltoename van 10 tot 20% treedt de grootste spanningsverandering op (zie fig. A.26), en dat betekent het grootste aantal actiepotentialen per seconde (zie fig. A.27).

Het antwoord is dus situatie 1.

Slide 9 - Tekstslide

Membraanspanning Um
Doorlaatbaarheden PNa, PK

Slide 10 - Tekstslide

16b
Plaatje B geeft met de rode lijn de juiste verhouding van de doorlaatbaarheden PNa / PK.

Dit zie je aan PNa / PK = 1 bij t = 0,25 s en t = 0,50 s

Slide 11 - Tekstslide

17a. De stof cGMP zorgt ervoor dat de rustspanning -40 mV wordt i.p.v. -70 mV. Welke transport heeft er plaatsgevonden?
A
Na+ de cel uit
B
K+ de cel uit
C
Na+ de cel in
D
K+ de cel in

Slide 12 - Quizvraag

17b. De membraanspanning bij een lichtflits is afgebeeld. Hoe heet dit proces?
A
Actiepotentiaal
B
Polarisatie
C
Depolarisatie
D
Hyperpolarisatie

Slide 13 - Quizvraag

Opgave 17c
  • Licht valt op staafje (verbonden met gevoelszenuw)
  • -> meer rhodopsin
  • -> minder cGMP (-> minder Na+ kanalen open)
  • -> minder stijging van de spanning (-48 mV i.p.v. -40 mV)

Slide 14 - Tekstslide

Huiswerk
Maak de oefentoets opgaven A en B (vragen 1-7)

Slide 15 - Tekstslide