Titratie: een buret boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Examentraining
Rekenen met concentraties: zo pak je examenvragen aan
Titratie: een buret boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Examentraining
Rekenen met concentraties: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Willwood / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over concentraties, gehaltes, verdunnen en titratie in meerdere stappen uitrekenen.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven (c, V, m, ρ, massa%, ppm) en wat is gevraagd?
2. Eenheden: zet V om naar L, m naar g en gebruik dezelfde eenheid in teller en noemer.
3. Mol: werk via n = m / M en n = c × V, met de molverhouding uit een kloppende vergelijking.
4. Rond af: volgens de regels voor significante cijfers, pas aan het eind, met eenheid.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Vraagtype 1: massa%, dichtheid en molariteit
Reken met een basis van 1,00 L oplossing: m = ρ × V, dan m(stof) en n.
Van c naar massa%: n × M geeft de massa stof per liter, deel door de massa van een liter oplossing.
Zoek M op in Binas of ScienceData.
Let op de factor 10³ tussen g mL⁻¹ en g L⁻¹.
Deze slide heeft geen instructies
36,0 massa% HCl, ρ = 1,18 g mL⁻¹ (M = 36,46 g mol⁻¹). Bereken c(HCl).
32,4 mol L⁻¹
9,87 mol L⁻¹
1,17·10⁻² mol L⁻¹
11,7 mol L⁻¹
1,00 L weegt 1,18·10³ g; m(HCl) = 0,360 × 1,18·10³ = 424,8 g; n = 424,8 / 36,46 = 11,65 mol; c = 11,7 mol L⁻¹ (drie significante cijfers). Verwachte fouten: het percentage vergeten (1,18·10³ / 36,46 = 32,4), de dichtheid vergeten (360 / 36,46 = 9,87) en ρ in g mL⁻¹ niet omrekenen (1,17·10⁻²). Syllabus R&A1.2 en R&A1.3.
2,00 M glucose, ρ = 1,12 g mL⁻¹. Geef het massa%.
Per liter: m(glucose) = 2,00 × 180,16 = 360,3 g; M(glucose) = 180,16 g mol⁻¹ (Binas); m(oplossing) = 1,12·10³ g; massa% = 360,3 / 1,12·10³ × 100% = 32,2% (drie significante cijfers). Verwachte fouten: delen door 1000 g in plaats van 1120 g (36,0%) of ρ vergeten. Syllabus R&A1.2 en R&A1.3.
Watermonsters voor analyse in een laboratorium (foto: S. Lesbats, Ifremer, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Vraagtype 2: gehaltes in ppm en ppb
Gehalte = massa stof / massa totaal × 10⁶ (ppm) of × 10⁹ (ppb).
Zet mg, µg en g om naar dezelfde eenheid voor je deelt.
Bij een verdunde waterige oplossing is 1 ppm gelijk aan 1 mg L⁻¹.
Voor mol L⁻¹: ppm → mg L⁻¹ → g L⁻¹ → mol L⁻¹.
Image credit: Stephane Lesbats (Ifremer) / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
0,35 mg Cd in 2,50 kg grond: hoeveel ppb?
0,35 mg per 2,50 kg = 0,14 mg kg⁻¹ = 0,14 ppm = 1,4·10² ppb (twee significante cijfers). Verwachte fouten: een factor 10³ te veel (1,4·10⁵), ppm voor ppb houden (0,14) en delen door 1 kg in plaats van 2,50 kg (3,5·10²). Syllabus R&A1.3.
2,5 ppm NO₃⁻ in water: [NO₃⁻] in mol L⁻¹?
Verdund water: ρ ≈ 1,00 kg L⁻¹, dus 2,5 ppm is 2,5 mg L⁻¹ = 2,5·10⁻³ g L⁻¹; M(NO₃⁻) = 62,00 g mol⁻¹ (Binas); n = 2,5·10⁻³ / 62,00 = 4,03·10⁻⁵ mol; [NO₃⁻] = 4,0·10⁻⁵ mol L⁻¹ (twee significante cijfers). Verwachte fouten: mg niet omgerekend (4,0·10⁻²), vermenigvuldigen met M (1,6·10²) en ppm direct als 10⁻⁶ mol lezen (2,5·10⁻⁶). Syllabus R&A1.2 en R&A1.3.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Vraagtype 3: verdunnen en mengen
Verdunnen: c₁ × V₁ = c₂ × V₂, met V₂ het eindvolume.
Mengen: tel n op per ion en deel door het totale volume.
Bij een ion met index tel je de index mee: [Cl⁻] = 2 × [CaCl₂].
Een stamoplossing met massa% en ρ reken je eerst om naar mol L⁻¹.
Deze slide heeft geen instructies
Hoeveel mL 0,500 M NaCl bij 200,0 mL 0,100 M NaCl geeft 0,200 M?
40,0 mL
1,00·10² mL
1,33·10² mL
66,7 mL
Stel x L toe te voegen: n = 0,100 × 0,2000 + 0,500x = 0,200 × (0,2000 + x). Dan 0,0200 + 0,500x = 0,0400 + 0,200x, dus 0,300x = 0,0200 en x = 0,0667 L = 66,7 mL (drie significante cijfers). Controle: n = 0,0200 + 0,0333 = 0,0533 mol in 0,2667 L = 0,200 mol L⁻¹. Verwachte fouten: het extra volume vergeten (0,0200 / 0,500 = 40,0 mL), delen door 0,200 (1,00·10² mL) en de al aanwezige n niet meetellen (0,0400 / 0,300 = 1,33·10² mL). Syllabus R&A1.2.
Hoeveel mL 25,0 massa% NH₃ (ρ = 0,907 g mL⁻¹, M = 17,03) voor 250,0 mL 0,500 M?
2,35 mL
9,39 mL
1,38·10² mL
9,39·10³ mL
c(stamoplossing) = 0,907·10³ × 0,250 / 17,03 = 13,31 mol L⁻¹; V₁ = c₂ × V₂ / c₁ = 0,500 × 250,0 / 13,31 = 9,39 mL (drie significante cijfers). Verwachte fouten: het massapercentage vergeten (c = 53,3, dus 2,35 mL), 0,907 als c gebruiken (1,38·10² mL) en ρ niet omrekenen naar g L⁻¹ (9,39·10³ mL). Syllabus R&A1.2 en R&A1.3.
Buret aflezen: de onderkant van de meniscus tussen 20 en 21 mL (foto: Akaniji, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Vraagtype 4: titratie en terugtitratie
Schrijf eerst de kloppende reactievergelijking en lees de molverhouding af.
Direct: n(gezocht) = n(reagens) × molverhouding.
Terug: n(verbruikt) = n(toegevoegd) − n(rest), de rest vind je uit de buret.
Bij een verdund monster tel je de verdunningsfactor mee.
Image credit: Akaniji / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
25,00 mL Fe²⁺ vraagt 14,6 mL 0,0200 M MnO₄⁻ (Fe²⁺ : MnO₄⁻ = 5 : 1). [Fe²⁺]?
0,0117 mol L⁻¹
0,00234 mol L⁻¹
0,0584 mol L⁻¹
0,292 mol L⁻¹
Vergelijking: 5 Fe²⁺ + MnO₄⁻ + 8 H⁺ → 5 Fe³⁺ + Mn²⁺ + 4 H₂O (atomen en lading kloppen: 17+ aan beide kanten). n(MnO₄⁻) = 0,0200 × 14,6·10⁻³ = 2,92·10⁻⁴ mol; n(Fe²⁺) = 5 × 2,92·10⁻⁴ = 1,46·10⁻³ mol; c = 1,46·10⁻³ / 0,02500 = 0,0584 mol L⁻¹ (drie significante cijfers). Verwachte fouten: de molverhouding vergeten (0,0117), delen door 5 (0,00234) en een volumefout bij de laatste stap (0,292). Syllabus R&A2.1 en R&A1.1.
0,800 g monster + 40,0 mL 0,250 M HCl; rest 12,4 mL 0,100 M NaOH. Massa% Mg(OH)₂?
31,9 massa%
41,0 massa%
63,9 massa%
16,0 massa%
Mg(OH)₂ + 2 HCl → MgCl₂ + 2 H₂O (atomen en lading kloppen). n(HCl totaal) = 0,250 × 0,0400 = 1,00·10⁻² mol; n(rest) = n(NaOH) = 0,100 × 0,0124 = 1,24·10⁻³ mol; verbruikt 8,76·10⁻³ mol; n(Mg(OH)₂) = 4,38·10⁻³ mol; m = 4,38·10⁻³ × 58,32 = 0,255 g; 0,255 / 0,800 × 100% = 31,9 massa% (drie significante cijfers; M uit Binas). Verwachte fouten: de rest optellen in plaats van aftrekken (41,0%), de coëfficiënt 2 vergeten (63,9%) en tweemaal delen door 2 (16,0%). Syllabus R&A2.1.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Massa%, dichtheid en molariteit
Gehaltes in ppm en ppb
Verdunnen en mengen
Titratie en terugtitratie
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Tips voor op het examen
Neem 1,00 L oplossing als rekenbasis als massa%, ρ en molariteit door elkaar lopen.
Zet mg, µg en mL om voor je deelt: een macht van tien is de meest gemaakte fout.
Bij ionen en bij titratie tel je altijd eerst de molverhouding uit de vergelijking mee.
Bij een terugtitratie trek je n(rest) af van n(toegevoegd); tel nooit op.
Rond pas aan het eind af: bij × en ÷ het kleinste aantal significante cijfers, bij + en − het kleinste aantal decimalen.
Deze slide heeft geen instructies