BS 2: Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

BS 2: Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

BS 2: Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • 2.1.1 Je kunt de functies van voedingsstoffen en voedingsvezel in voedingsmiddelen noemen.
  • 2.1.2 Je kunt zes groepen voedingsstoffen noemen met hun functies en kenmerken

Slide 2 - Tekstslide

Planning

  1. Hw en absentie
  2. Leerdoelen en herhalen bs 1
  3. Uitleg basisstof 11.2/10.2
  4. Opdrachten maken
  5. Wat hebben we geleerd?

Slide 3 - Tekstslide

Herhaling bs 1

Slide 4 - Tekstslide

welke manier van conserveren zie je hier?
A
geen
B
luchtdicht verpakken
C
gasverpakken
D
met conserveermiddelen

Slide 5 - Quizvraag

Welke manier van conserveren zie je hier?
Deze melk staat buiten de koeling
A
Drogen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
luchtdicht verpakken

Slide 6 - Quizvraag

Welke manier van conserveren zie je hier?
A
Drogen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
luchtdicht verpakken

Slide 7 - Quizvraag

Waarom kan ik deze
worst buiten de
koelkast bewaren?
A
Hij is gepasteuriseerd
B
Hij is gedroogd
C
Hij is luchtdicht verpakt
D
Hij zit in een conserveringsmiddel

Slide 8 - Quizvraag

Wat is conserveren?
A
Omstandigheden ongunstig maken voor schimmels en bacteriën
B
Het vermeerderen van schimmels en bacteriën
C
Voedsel opeten
D
Omstandigheden gunstig maken voor schimmels en bacteriën

Slide 9 - Quizvraag

Hoe werken enzymen?
1. Het enzym bindt aan een voedingsstof
2. Het enzym knipt het voedingsstof in 2en
3. Het enzym laat los

Slide 10 - Tekstslide

Enzymactiviteit
De enzymactiviteit is de snelheid
waarmee de enzymen werken. 
Dit is afhankelijk van 
- temperatuur
- zuurgraad
Hierbij hoort een optimumkromme met een minimum, een maximum en een optimum

Slide 11 - Tekstslide

BS 2 

Slide 12 - Tekstslide

Voeding
Voedingsmiddel:
  • Alles wat je eet en drinkt. (plantaardig-dierlijk)
Voedingsstof:
  • Bruikbare bestanddelen in voedingsmiddelen.
Voedingsvezel:
  • Onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.

Slide 13 - Tekstslide

Bekijk deze foto. 
Welk voedingsmiddelen zie je hier?
(Noteer het op de volgende slide)

Slide 14 - Tekstslide

Dierlijke voedingsmiddelen
Plantaardige voedingsmiddelen

Slide 15 - Sleepvraag

Voedingsvezels
In voedingsmiddelen zitten voedingsstoffen en -vezels.
Vezels zijn onverteerbare stoffen uit planten.
Ze stimuleren de darmwerking (peristaltiek).

Slide 16 - Tekstslide

Voedingsstoffen
  • Dit zijn de bruikbare bestandsdelen van voedingsmiddelen
  • Plantaardig voedsel bevat voedingsvezels. Dit zijn onverteerbare stoffen


Functies voedingsstoffen:

  • bouwstoffen (vorming van cellen en weefsel bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam)
  • brandstoffen (voor energie)( beweging, lichaamstemperatuur, groei, ontwikkeling en herstel.)
  • reservestoffen (bijv. vetreserve)
  • beschermende stoffen (tegen ziektes)

Slide 17 - Tekstslide

Voedingstoffen
Deze 6 voedingsstoffen moet je kennen:
1. koolhydraten 
2. vetten
3. water
4. vitaminen
5. mineralen
6. eiwitten

Slide 18 - Tekstslide

Koolhydraten
  • Bouwstof
  • Brandstof
  • Reservestof
O.a. glucose, suiker, zetmeel

Voorbeelden van voedingsmiddelen
  • Pasta - Rijst - Brood


Slide 19 - Tekstslide

Twee soorten koolhydraten
Enkelvoudige koolhydraten:
  • Suiker (bv glucose)
  • Meteen op te nemen in bloed

Meervoudige koolhydraten:
  • Opgebouwd uit ketens glucose
  • Te groot voor snelle opname in bloed --> eerst verteren

Slide 20 - Tekstslide

Enkelvoudige koolhydraten
Meervoudige koolhydraten

Slide 21 - Tekstslide

Eiwitten
  • Bouwstof
  • Brandstof
Bv voor vorming cytoplasma

Voorbeelden van voedingsmiddelen
Kaas - Tofu - Vlees - Ei - Vis



Slide 22 - Tekstslide

Eiwitten
Eiwitten zijn bouwstoffen

Teveel aan eiwitten? 
Eiwit wordt gebruikt als 
brandstof.
Cytoplasma
Spieren

Slide 23 - Tekstslide

Vetten
  • Brandstof en bouwstof
  • Overtollige vetten? Reservestof
  • Onverzadigde(bouwstof) en verzadigde vetten(Brandstof) 
Gezonde, vloeibare en plantaardige vetten(vis,noten)
niet gezond, harde, dierlijke vetten

Slide 24 - Tekstslide

Vetten
  • Bouwstof
  • Brandstof
  • Reservestof
Meer vet eten dan nodig --> opslag in onderhuids bindweefsel

Vetten leveren naast energie ook vitamine A, D en E. Ze zijn daarom belangrijk in een gezond voedingspatroon. Maar te veel verzadigde vetten eten geeft een grotere kans op hart- en vaatziekten. 
Je verlaagt dat risico door voedingsmiddelen met veel verzadigde vetzuren te vervangen door voedingsmiddelen met veel onverzadigde vetten. Bijvoorbeeld: roomboter vervangen door plantaardige margarine.



Slide 25 - Tekstslide

Water
Water is een bouwstof. Organismen bestaan voor het grootste deel uit water. Het lichaam van een volwassene bestaat voor ongeveer 55 tot 65% uit water.

Water is belangrijk bij het vervoer van stoffen in je lichaam. Bloed en cytoplasma bestaan voor een groot deel uit water. Je lichaam verliest water door bijvoorbeeld zweten of plassen. Dit moet je weer aanvullen. 

Slide 26 - Tekstslide

Mineralen

Bouwstoffen en beschermstoffen

Voorbeeld: 
zout,Calcium (kalk), ijzer, fluoride

Slide 27 - Tekstslide

Mineralen (zouten)
  • Voor de opbouw van je beenderen (botten) bijvoorbeeld heb je calcium nodig. 
  • Fluoride is nodig bij de opbouw van je gebit. 
  • Voor de vorming van (gezonde) rode bloedcellen is ijzer nodig.
  • Je hebt elke dag maar heel weinig mineralen nodig. In gezonde voeding zitten voldoende mineralen. Van keukenzout (natrium) gebruik je vaak zelfs te veel.



Slide 28 - Tekstslide

VITAMINES
  • Het zijn bouwstoffen.
  • Ze werken als beschermende stoffen tegen ziektes
  • Er zijn dertien verschillende vitamines bekend: vitamine A, de vitamines van het B-complex en vitamine C, D en K zijn de bekendsten.

Slide 29 - Tekstslide

Vitamines
  • Bouwstof
  • Beschermende stof
Te veel of te weinig = ziek!
Worden aangegeven met een letter
Sommige zijn wateroplosbaar, andere vetoplosbaar

Voorbeelden van voedingsmiddelen:
Groente - Fruit - Vlees



Slide 30 - Tekstslide

Aantonen


Indicatoren


Slide 31 - Tekstslide

Zetmeel aantonen
Zetmeel is een voorbeeld van een reservestof. Dit kan je aantonen met joodoplossing. Dit kleurt zetmeel blauwzwart.
* Vooral 's nachts wordt het tijdelijk opgeslagen zetmeel omgezet in suiker.
* Zetmeel lost niet op in water dus dat moet eerst worden omgezet in suiker om te kunnen worden vervoerd.

Slide 32 - Tekstslide

Samenvatting voedingsstoffen

Slide 33 - Tekstslide

Wat is een voedingsstof?
A
Alles wat je eet en drinkt
B
Bruikbare bestanddelen in voedingsmiddelen
C
Onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel
D
Enzymen

Slide 34 - Quizvraag

Waar hebben we voedingsstoffen voor nodig?

Slide 35 - Woordweb

Noem een voedingsmiddel waar veel eiwitten in zitten.
A
Kipfilet
B
Appel
C
Spinazie
D
Olijfolie

Slide 36 - Quizvraag

Noem een voedingsmiddel waar veel koolhydraten in zitten.
A
Kipfilet
B
Aardappel
C
Spinazie
D
Olijfolie

Slide 37 - Quizvraag

Door welke stof wordt darmperistaltiek gestimuleerd?
A
Water
B
Vezels
C
Vetten
D
Vitamines

Slide 38 - Quizvraag

Wat zijn voedingsstoffen?
A
Alles wat je eet en drinkt
B
Stoffen uit planten die je lichaam niet kan verteren
C
Bruikbare bestanddelen uit voedingsmiddelen

Slide 39 - Quizvraag

Wat is geen voedingsstof?
A
Koolhydraat
B
Water
C
Mineralen
D
Vezels

Slide 40 - Quizvraag

Sleep het juiste antwoorden naar 'Koolhydraten'
Koolhydraten
    Bouwstof
     Brandstof
  Reserve stof
  Beschermende 
             stof

Slide 41 - Sleepvraag

Deze voedingsstoffen zijn brandstoffen
A
Water en vitaminen
B
Koolhydraten, eiwitten en mineralen
C
Vetten, eiwitten en water
D
Alleen koolhydraten, eiwitten en vetten

Slide 42 - Quizvraag

Wat voor soort voedingsstof is glucose?
A
Koolhydraat
B
Eiwit
C
Vet
D
Vitamine

Slide 43 - Quizvraag

Welke 6 voedingsstoffen hebben we vandaag besproken?

Slide 44 - Open vraag

Wat hebben we geleerd?
  • Welke 4 functies kunnen voedingsstoffen hebben?
  • Welke twee soorten koolhydraten zijn er en wat is het verschil hiertussen?
  • Welke functie(s) hebben eiwitten?
  • Welke twee soorten vetten zijn er en wat is het verschil hiertussen?
  • Wanneer word je ziek van vitamines?

Slide 45 - Tekstslide

Opdrachten maken 
K -BS 11.2: opdrachten 1 tm 7`(4 overslaan)
B-  Bs10.2 Opdrachten: 1 t/m 7


Slide 46 - Tekstslide