Voordat - nadat - terwijl

zodat, voordat, terwijl, zodra,  nadat 
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

zodat, voordat, terwijl, zodra,  nadat 

Slide 1 - Tekstslide

Zij drinken thee terwijl ze met hun kleinkinderen videobellen.

Slide 2 - Tekstslide

voordat - nadat - terwijl
*Voordat, nadat en terwijl gebruik je om te vertellen wanneer iets gebeurt.

*Na voordat, nadat en terwijl volgt een bijzin.

Slide 3 - Tekstslide

Het meisje eet een appel en ze kijkt in
haar boek.

-> Zij doet twee dingen op hetzelfde moment.

Het meisje eet een appel terwijl ze in haar boek kijkt.

Slide 4 - Tekstslide



De baby drinkt eerst melk en valt dan in slaap.
-> twee dingen gebeuren na elkaar.

De baby drinkt melk voordat hij  in slaap valt.

Slide 5 - Tekstslide


De baby drinkt eerst melk en valt dan in slaap.
-> twee dingen gebeuren na elkaar.

De baby  valt in slaap nadat hij melk heeft gedronken.

*Na  nadat gebruik je de voltooide tijd.

Slide 6 - Tekstslide

Hij wandelt door het park ............... hij met collega's heeft vergaderd.
A
terwijl
B
nadat
C
voordat

Slide 7 - Quizvraag

Ik pak mijn koffer in ............ ik op vakantie ga.
A
terwijl
B
nadat
C
voordat

Slide 8 - Quizvraag

Zij hangt de vlag uit ...... haar
dochter heeft gehoord dat ze
geslaagd is voor haar eindexamen.
A
terwijl
B
voordat
C
nadat

Slide 9 - Quizvraag

Ze eten een ijsje ........... ze
met de kinderen wandelen.
A
terwijl
B
voordat
C
nadat

Slide 10 - Quizvraag

Je moet de rijst goed wassen ......... je de rijst in de pan doet.
A
terwijl
B
voordat
C
nadat

Slide 11 - Quizvraag

Je moet direct de afwas doen ..... je hebt gekookt.
A
terwijl
B
voordat
C
nadat

Slide 12 - Quizvraag

Je mag niet praten, ... je eet.
A
nadat
B
voordat
C
terwijl
D
toen

Slide 13 - Quizvraag

Ik trek mijn jas aan, ... ik naar buiten ga.
A
nadat
B
voordat
C
terwijl
D
toen

Slide 14 - Quizvraag

Wij doen samen een afwas, ... we gegeten hebben.
A
terwijl
B
nadat
C
voordat

Slide 15 - Quizvraag

Je moet de aardappels koken, ... je ze kan eten.
A
nadat
B
zodat
C
voordat
D
toen

Slide 16 - Quizvraag

Je kan de rijst eten, ... je de rijst gekookt hebt.
A
nadat
B
terwijl
C
zodat
D
voordat

Slide 17 - Quizvraag

... de wasmachine klaar is, doe ik de was in de droger.
A
voordat
B
nadat
C
toen
D
zodat

Slide 18 - Quizvraag

Maak een zin bij de foto's.
Het meisje luistert naar muziek terwijl ze haar huiswerk maakt.

Slide 19 - Tekstslide

Maak een zin bij de foto's. Gebruik voordat.

Slide 20 - Woordweb

Maak een zin bij de foto's. Gebruik nadat.

Slide 21 - Woordweb

Maak een zin bij de foto's. Gebruik voordat.

Slide 22 - Woordweb

Maak een zin bij de foto's. Gebruik nadat.

Slide 23 - Woordweb

Maak een zin bij de foto's. Gebruik terwijl.

Slide 24 - Woordweb

Ik kan voordat - nadat - terwijl nu goed gebruiken
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll