VWO 3 (foutieve) samentrekking 7 maart

Dinsdag 7 maart
  • 10-minuten lezen
  • Lesdoel
  • Uitleg (foutieve) samentrekking
  • Oefenen
  • Zelf aan de slag
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Dinsdag 7 maart
  • 10-minuten lezen
  • Lesdoel
  • Uitleg (foutieve) samentrekking
  • Oefenen
  • Zelf aan de slag

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel 
Aan het einde van deze les weet je wat een samentrekking is en hoe je deze correct moet maken.
Aan het einde van deze les weet je hoe je een foutieve samentrekking kunt herkennen + verbeteren.

Slide 2 - Tekstslide

Startopdracht 
Lands- en provinciegrenzen
Nationale- en internationale wedstrijden
Bruidsjurken en -boeketten
Beroemde zwemmers en -schaatsers

Slide 3 - Tekstslide

Samentrekkingen 
  • Voorwaartse samentrekking: een goedkope armband en een dure. 
  • Achterwaartse samentrekking: in voor- en tegenspoed

  1. woordniveau: carnavalsfeesten en -optochten
  2. woordgroepsniveau: gescheiden mannen en -vrouwen
  3. zinsniveau: Jorien gaat fietsen en Tamar op de scooter

Slide 4 - Tekstslide

Theorie 
Van twee hoofdzinnen kun je in sommige gevallen een samentrekking maken. Je maakt een samentrekking van twee hoofdzinnen om onnodige herhaling te voorkomen. 

Bijv:
1a.Jan pakt zijn tas en Jan pakt zijn jas. (2 hoofdzinnen)
1b. Jan pakt zijn tas en zijn jas (2 samengetrokken hoofdzinnen)

2a.We hebben in Antwerpen gewinkeld en we hebben veel leuke kleren gekocht. (2 hoofdzinnen)
2b. We hebben in Antwerpen gewinkeld en veel leuke kleren gekocht. (samengetrokken hoofdzinnen)






Slide 5 - Tekstslide

Theorie
In principe is het dus prima om een samentrekking te maken. Je wilt immers niet continu dezelfde woorden herhalen. Echter moet je natuurlijk wel op de juiste manier een samentrekking maken. En dat gaat helaas niet altijd goed. Je mag namelijk niet samentrekken als:

1. Er verschil in zinsdeel is.
2. Er verschil in woordsoort is.
3. Er verschil in betekenis is.



Slide 6 - Tekstslide

uitleg regel 1
1. Er verschil in zinsdeel is. 
Bijvoorbeeld een verschil tussen onderwerp en lijdend voorwerp. 
Of onderwerp en meewerkend voorwerp

Voorbeeldzin:
De saxofoniste stond op het podium en werd een bos bloemen overhandigd. 
(De saxofoniste is weggelaten in de tweede hoofdzin. Echter is de saxofoniste in de eerste hoofdzin het onderwerp, maar in de tweede hoofdzin een meewerkend voorwerp.)




Slide 7 - Tekstslide

uitleg regel 2
1. Er verschil in woordsoort is.
Bijvoorbeeld een verschil in zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord.

Voorbeeldzin
Ik wil graag naar Spanje op vakantie en in Griekenland wonen.
(Het werkwoord 'wil' in in de eerste hoofdzin een zelfstandig werkwoord, maar in de tweede hoofdzin een hulpwerkwoord.)







Slide 8 - Tekstslide

uitleg regel 3
1. Er verschil in betekenis is.

Bijv.
Zij maakte eerst het bed op en daarna zichzelf.
(In de eerste hoofdzin heeft het woord opmaken (het bed opmaken) een andere betekenis dan in de tweede hoofdzin (zich opmaken). 

Ook dit verbeter je door het weggelaten woord weer terug te plaatsen. 
Zij maakte eerst het bed op en daarna maakte ze zichzelf op.





Slide 9 - Tekstslide

Stappenplan samentrekking controleren

1. Maak de zinnen 'volledig' door de samentrekking ongedaan te maken. Je schrijft de zinnen dus weer voluit, met herhalingen erin.
2. Stel vast welk(e) woord(en) zijn samengetrokken.
3. Controleer of de samentrekking correct of incorrect is (zinsdeel, woordsoort, betekenis).
4. Verbeter de samentrekking als die foutief is.

Slide 10 - Tekstslide

Foutieve samentrekking of niet?

Jan geeft weinig om Marieke, maar wel heel veel aandacht.
A
foutieve samentrekking
B
goede samentrekking

Slide 11 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

Jan geeft weinig om Marieke, maar wel heel veel aandacht.
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 12 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?

Mireille heeft haar vriendin gefeliciteerd en ook een cadeau gegeven.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 13 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

Mireille heeft haar vriendin gefeliciteerd en ook een cadeau gegeven.
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 14 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?
Zijn broek kost 100 euro en vind ik zo lelijk!
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 15 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

Zijn broek kost 100 euro en vind ik zo lelijk!
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 16 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?

De clown trok zijn kleren uit en zich niets van zijn publiek aan.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 17 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

De clown trok zijn kleren uit en trok zich niets van zijn publiek aan.
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 18 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?
Hij geeft zijn dochter een dropje en zijn zoon een lolly.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 19 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?

Streekromans interesseren me niet en lees ik dus niet.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 20 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

Streekromans interesseren me niet en lees ik dus niet.
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 21 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?
Zij wordt geaccepteerd en arts.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking:

Slide 22 - Quizvraag

Welk soort foutieve samentrekking?

Zij wordt geaccepteerd en arts.
A
Verschil in zinsdeel
B
Verschil in woordsoort
C
Verschil in betekenis

Slide 23 - Quizvraag

Foutieve samentrekking of niet?
Ik heb een fiets gekregen en uitgeprobeerd op mijn verjaardag.
A
goede samentrekking
B
foutieve samentrekking

Slide 24 - Quizvraag

Hoe goed ken jij de theorie over de (foutieve) samentrekking?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 25 - Poll

Aan de slag
Aan de slag hoofdstuk 1 formuleren, blz. 34 opdracht 2/3/4

Slide 26 - Tekstslide