ABCD Ch 6 1h/v

1hv8 - lundi le 31 mai
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

1hv8 - lundi le 31 mai

Slide 1 - Tekstslide

Poser une question en français
Om in het Frans een vraag te stellen, zet je een vraagteken achter de gewone zin. Je spreekt de vraag anders uit dan een gewone zin: aan het eind gaat je stem iets omhoog.


Spreek de volgende zinnen uit: 
Vous allez à la boulangerie?   /   vous allez au cinéma.
Tu vas à la plage?
Ga je naar het strand?

Slide 2 - Tekstslide

7 vraagwoorden
waar
Tu habites où?
quand
wanneer
Quand est ton anniversaire?
comment
hoe
Comment tu t'appelles?
combien (de)
hoeveel
Tu veux combien de frites?
pourquoi
waarom
Pourquoi tu fais du sport?
qui
wie
Qui est ton prof de maths?
qu'est-ce que
wat
Qu'est-ce que tu aimes manger?

Slide 3 - Tekstslide

Traduis
Il regarde la télé.

Il regarde la télé?

Slide 4 - Tekstslide

Traduis
Il regarde la télé.
Hij kijkt tv.
Il regarde la télé?
Kijkt hij tv?
In het Frans blijft de woordvolgorde gelijk. Er staat alleen een vraagteken achter de zin.

Slide 5 - Tekstslide

Er zijn ook vragen met een vraagwoord.
Welke vraagwoorden ken je?

Slide 6 - Tekstslide

Vraagwoorden
Wie - Qui
Wat - Qu'est-ce que
Waar -
Waarom - Pourquoi 
Hoe - Comment
Hoeveel - Combien
Wanneer - Quand

Waar het vraagwoord in de zin komt, hoef je nu nog niet te leren. Je houdt de volgorde uit de phrases clés aan.

Slide 7 - Tekstslide

Hoe vertaal je 'wie'?
A
B
pourquoi
C
qui
D
qu'est-ce que

Slide 8 - Quizvraag

Hoe vertaal je 'waar'?
A
B
pourquoi
C
qui
D
qu'est-ce que

Slide 9 - Quizvraag

Hoe vertaal je 'wanneer'?
A
pourquoi
B
quand
C
comment
D
qu'est-ce que

Slide 10 - Quizvraag

Hoe vertaal je 'hoe'?
A
pourquoi
B
quand
C
comment
D
qu'est-ce que

Slide 11 - Quizvraag

Waar staat de vraag juist (volgens de correcte zinsbouw)?
A
On va à Paris?
B
On à va Paris?
C
Va on à Paris?

Slide 12 - Quizvraag

Waar staat de vraag juist (volgens de correcte zinsbouw)?
A
Habites tu dans un appartement?
B
Tu habites dans un appartement?
C
Tu dans un appartement habites?

Slide 13 - Quizvraag

Qui
Pourquoi
Comment
Qu'est-ce que
Combien (de)
Quand

Slide 14 - Sleepvraag

Wie
Waarom 
Qu'est-ce que
Waar
Quand
Hoe
timer
1:00
De vraagwoorden
Qui
Pourquoi
Wat
Wanneer 
Comment

Slide 15 - Sleepvraag

Wat is het meest logische vraagwoord:
Tu habites…..?
A
qui
B
combien
C
D
quand

Slide 16 - Quizvraag

Pourquoi=
A
Wanneer
B
Hoe
C
Waarom
D
Welke

Slide 17 - Quizvraag

Tu as combien de frères?
A
Hoe vaak zie jij je broers?
B
Hoeveel broers heb jij?
C
Wanneer zie jij je broers?
D
Wie zijn jouw broers?

Slide 18 - Quizvraag

LA FIN

Slide 19 - Tekstslide