Les 8 Voorzetsels op de juiste plek

Voorzetsels op de juiste plek

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Voorzetsels op de juiste plek

Open vanuit herkenbare zinnen uit het dagelijks taalgebruik. De les draait om drie dingen: herkennen wat een voorzetsel is, veelvoorkomende voorzetsels kennen en ze op de juiste plaats in de zin zetten.

inhoud

Vorige x

Lesdoel

Voorkennis

Theorie & oefenen

Begrippen & evaluatie

Zelfstandige verwerking



Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel

Ik kan uitleggen wat voorzetsels zijn, veelgebruikte voorzetsels herkennen en ze op de juiste plaats in een zin zetten.

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsels ken jij al?

Gebruik de inzendingen om voorkennis op te halen. Vraag kort door op woorden als 'op', 'in', 'naar' en laat leerlingen eventueel voorbeelden noemen.

Wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel is een woord dat iets zegt over de relatie tussen woorden in een zin.


Vaak gaat het over:

  • plaats: op de tafel

  • tijd: na school

  • richting: naar huis

Benadruk dat een voorzetsel niet 'voor' iets moet staan omdat het zo heet; de naam helpt, maar de functie is belangrijker: het legt een verband.

Wat doet een voorzetsel?

  • Het verbindt woorden met elkaar.

  • Het maakt een zin preciezer.

  • Het geeft aan waar, wanneer of waarheen iets gebeurt.


Zonder voorzetsel mist een zin vaak belangrijke informatie.

Gebruik korte voorbeelden: 'Ik leg het boek tafel' klinkt onvolledig; 'Ik leg het boek op tafel' maakt de betekenis duidelijk.

Voorzetselgroep

Een voorzetsel hoort vaak bij een of meer woorden samen.


Voorbeelden:

  • in de klas

  • onder de stoel

  • na het eten

  • met mijn vriend


Zo'n groepje noem je een voorzetselgroep.

Op 1F-niveau is het genoeg dat leerlingen zien dat het voorzetsel meestal samen met het woord of de woorden erna gelezen wordt.

Niet elk kort woord is een voorzetsel

Kijk naar de functie in de zin.


  • In Ik loop naar huis is naar een voorzetsel.

  • In Ik ga naar huis is ga geen voorzetsel maar een werkwoord.


Een voorzetsel vertelt iets over een verband, niet over de handeling zelf.

Laat leerlingen vooral zoeken naar woorden die plaats, tijd of richting aangeven. Dat helpt bij het onderscheiden van woordsoorten.

Veelvoorkomende voorzetsels

na

voor

tijdens

sinds

met

zonder

door

bij

Tijd en manier

Plaats en richting

in

op

onder

naast

achter

voor

tussen

naar

Wijs erop dat sommige voorzetsels meerdere betekenissen kunnen hebben, zoals 'voor': plaats (voor het huis) of tijd (voor acht uur).

Wat zegt een voorzetsel meestal?

A

Een relatie

B

Een handeling

C

Een persoon

D

Een klank

Sluit aan op de uitleg dat een voorzetsel een relatie aangeeft, vaak van plaats, tijd of richting. 'Handeling' is een verwarring met werkwoorden.

Vul de juiste woorden in

Een voorzetsel zegt iets over de relatie tussen woorden in een zin. Het kan gaan over plaats, tijd of richting. Vaak vormt het samen met de woorden erna een voorzetselgroep.

voorzetsel
plaats
voorzetselgroep
werkwoord
handeling
persoon
woordgroep

Alle drie de doelen uit het eerste blok komen terug: wat een voorzetsel is, waar het over kan gaan en dat het vaak deel is van een voorzetselgroep.

Voorzetsels bij plaats

  • De tas ligt op de tafel.

  • Het schrift zit in de tas.

  • De stoel staat naast de tafel.

  • De bal rolt onder de kast.

Lees de zinnen hardop en laat horen dat het voorzetsel direct helpt om de plaats voor je te zien.

Voorzetsels bij tijd

  • Na school ga ik sporten.

  • Voor het eten was ik buiten.

  • Tijdens de les is het stil.

  • Sinds maandag ben ik verkouden.

Laat zien dat tijdsvoorzetsels een moment of periode aanwijzen. Dat maakt het verschil met plaatsvoorzetsels duidelijk.

Welke zin heeft een voorzetsel van tijd?

A

De tas ligt op tafel.

B

Na school ga ik sporten.

C

Wij lopen naar huis.

D

De stoel staat naast de tafel.

De afleiders komen uit dezelfde reeks voorbeelden: plaats en richting lijken op tijd, maar alleen 'na school' geeft een tijd aan.

Kies de passende voorzetsels

De tas ligt op de tafel en het schrift zit in de tas. Na school ga ik sporten, maar tijdens de les is het stil.

op
in
Na
tijdens
onder
naast
voor
naar

Combinatie van plaats- en tijdsvoorzetsels uit de voorbeelden op de voorgaande slides.

Voorzetsels in een zin

Een voorzetsel staat vaak voor het woord of de woordgroep waar het bij hoort.


Voorbeelden:

  • Ik wacht op de bus.

  • Wij lopen naar het plein.

  • Zij speelt met haar zus.


Het voorzetsel en de woorden erna horen inhoudelijk bij elkaar.

Benadruk de woordgroep als blokje. Dat helpt later bij het juist plaatsen in langere zinnen.

Juiste plaats in de zin

Zet het voorzetsel niet los van de woorden waar het bij hoort.


Goed:

  • Ik zet de beker op de tafel.

  • Wij fietsen naar school.


Niet goed:

  • Ik zet op de beker de tafel.

  • Wij fietsen school naar.

Het gaat hier om vaste, logische woordgroepen. Leerlingen hoeven nog geen volledige zinsontleding te kennen om dit patroon te zien.

Korte en langere zinnen

Ook in langere zinnen blijft de voorzetselgroep bij elkaar.


  • Morgen spelen wij op het schoolplein.

  • Na de pauze werken we in ons schrift.

  • Mijn broer wacht bij de ingang op mij.


Zo blijft de zin duidelijk.

Wijs aan dat andere woorden best vooraan of tussendoor kunnen staan, maar de voorzetselgroep zelf niet uit elkaar valt.

Waarom plaatsing belangrijk is

  • De zin wordt duidelijker.

  • De betekenis klopt beter.

  • De lezer begrijpt sneller wat je bedoelt.


Voorzetsels helpen om zinnen precies en logisch te maken.

Maak de koppeling met schrijven en lezen: goede plaatsing helpt niet alleen bij grammatica, maar ook bij begrijpelijke taal.

Welke zin is goed geplaatst?

A

Wij fietsen school naar.

B

Ik zet op de beker de tafel.

C

Mijn broer wacht op mij bij de ingang.

D

Na de pauze we werken in schrift.

De correcte zin houdt de voorzetselgroepen bij elkaar. De foute opties trekken de groep uit elkaar of zetten woorden in een onlogische volgorde.

Zet de voorzetselgroepen goed

Morgen spelen wij op het schoolplein. Na de pauze werken we in ons schrift. Mijn broer wacht bij de ingang op mij. Zo blijft de zin duidelijk.

op het schoolplein
in ons schrift
bij de ingang
het schoolplein op
ons schrift in
de ingang bij
naar school

De goede antwoorden zijn complete voorzetselgroepen zoals op de contentslides. De afleiders laten juist de verkeerde woordvolgorde zien.

Wat is één ding dat jij hebt geleerd over voorzetsels?

Bespreek dat leerlingen iets kunnen noemen als: een voorzetsel geeft plaats, tijd of richting aan; een voorzetselgroep moet bij elkaar blijven; voorbeelden zoals in, op, naar, tijdens.

Welk deel van deze les vond jij het lastigst?

Laat leerlingen terugkijken op hun leerproces. Mogelijke punten: voorbeelden hielpen, zinnen hardop lezen hielp, verschil tussen plaats en tijd was lastig, de juiste volgorde in de zin was moeilijk.

Begrippen

voorzetsel - woord dat een relatie aangeeft tussen woorden in een zin

voorzetselgroep - een voorzetsel met het woord of de woorden die erbij horen

plaats - waar iets is of gebeurt

tijd - wanneer iets gebeurt

richting - waarheen iets gaat

woordgroep - woorden die samen één geheel vormen

zin - groep woorden die samen een volledige boodschap geeft

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies