003 Spaans B

Cómo estás? / Cómo estáis?
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 20 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Cómo estás? / Cómo estáis?

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

gramática/grammatica
persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij, hij, zij enz.  

het werkwoord SER (= ZIJN) 
(yo) soy estudiante = ik ben student 

het werkwoord TENER (= hebben) 
(yo) tengo una bicicleta = ik heb een fiets 
hoy /vandaag

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

pronombres personales singular 

yo
tú
él
ella
usted

persoonlijke voornaamwoorden enkelvoud

ik
jij
hij
zij
u (1 pers)

Slide 3 - Tekstslide

enkelvoud = 1 persoon 
hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
yo 
tú
el/ella/usted
 werkwoord SER

yo soy estudiante
tú eres estudiante

él es estudiante
ella es estudiante
usted es profesor/a

werkwoord ZIJN

ik ben student
jij bent student

hij is student 
zij is student 
u bent docent 

Slide 4 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
soy
eres 
es

pronombres personales 
plural

nosotros/nosotras
vosotros/vosotras

ellos/ellas
ustedes

persoonlijke voornaamwoorden meervoud 

wij (m/v)
jullie (m/v)

zij (m/v) 
u (meerdere pers.)

Slide 5 - Tekstslide

meervoud is 2 personen of meer 
hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
nosotros 
vosotros 
ellos/ellas/ustedes

 werkwoord SER

nosotros somos estudiantes
nosotras somos estudiantes
vosotros sois estudiantes 
vosotras sois estudiantes 
ellos son estudiantes 
ellas son estudiantes 
ustedes son profesores

werkwoord ZIJN

wij zijn studenten (m)
wij zijn studenten (v)
jullie zijn studenten (m)
jullie zijn studenten (v)
zij zijn studenten (m)
zij zijn studenten (v) 
u bent docenten 

Slide 6 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
somos 
sois 
son

yo 
tú 
él/ella/usted

nosotros/as
vosotros/as
ellos/ellas/ustedes

soy
eres
es

somos 
sois
son

Slide 7 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
soy 
eres 
es 

somos 
sois 
son 
Je moet natuurlijk wel weten bij welke pers. vnw ze horen.
 werkwoord TENER

yo tengo una bicicleta
tú tienes un avión

él tiene un sombrero
ella tiene una maleta
usted tiene dinero

werkwoord HEBBEN

ik heb een fiets
jij hebt een vliegtuig

hij heeft een hoed
zij heeft een koffer 
u heeft geld

Slide 8 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
tengo 
tienes 
tiene 
werkwoord TENER

nosotros/as tenemos ...

vosotros/as tenéis ...

ellos/ellas tienen ...

ustedes tienen ... 
werkwoord HEBBEN

wij hebben ...

jullie hebben ...

zij hebben ...

u heeft ... 

Slide 9 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
tenemos 
tenéis 
tienen

yo 
tú 
él/ella/usted

nosotros/as
vosotros/as
ellos/ellas/ustedes

tengo
tienes
tiene

tenemos
tenéis
tienen

Slide 10 - Tekstslide

hardop oefenen helpt om te onthouden
dat doe je zo:
tengo
tienes 
tiene 

tenemos 
tenéis 
tienen
Je moet natuurlijk wel weten bij welke pers. vnw ze horen.

let op
Ik ben zeventien jaar. 
(yo) tengo diecisiete años.
(yo) soy diecisiete años. 
Hoe oud ben jij / Hoeveel jaren heb jij?
Cuántos años tienes (tú)?
Cuántos años eres (tú)?

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ik ben ...
A
soy ...
B
eres ...
C
tengo ...
D
tienes ...

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ben jij Belgisch?
A
Soy belga?
B
Eres belga?
C
Tengo belga?
D
Tienes belga?

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pablo ... estudiante.
A
soy
B
eres
C
es
D
somos

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wij zijn Nederlanders
A
soy holandés
B
eres holandés
C
es holandés
D
somos holandeses

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zijn jullie studenten?
A
Eres estudiante?
B
Es estudiante?
C
Somos estudiantes?
D
Sois estudiantes?

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zij komen niet uit Nederland.
A
No es de Holanda.
B
No somos de Holanda.
C
No sois de Holanda.
D
No son de Holanda.

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

ik heb ...
A
soy ...
B
eres ...
C
tengo ...
D
tienes ...

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe oud ben jij?
A
Cu;antos años soy?
B
Cuántos años eres?
C
Cuántos años tengo?
D
Cuántos años tienes?

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Luís is 15 jaar.
A
Luís es quince años.
B
Luís tiene quince años.
C
Luís somos quince años.
D
Luís tenemos quince años.

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

We hebben een auto
A
Tengo un coche.
B
Tienes un coche.
C
Tiene un coche.
D
Tenemos un coche.

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hebben jullie een auto?
A
Tiene un coche?
B
Tenemos un coche?
C
Tenéis un coche?
D
Tienen un coche?

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn ouders zijn 45 jaar.
A
Mis padres son 45 años.
B
Mis padres tienen 45 años.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoord TRABAJAR

(yo) trabajo
(tú) trabajas
él/ella/usted trabaja

nosotros/as trabajamos
vosotros/as trabajáis
ellos/ellas/ustedes trabajan
werkwoord WERKEN

ik werk
jij werkt
hij/zij/u werkt

wij werken
jullie werken
zij werken/u werkt

Slide 25 - Tekstslide

In de vorige les hebben we de volgende zinnen gehad 
... trabaja en un supermercado 
... trabaja en un hospital 
... trabaja en una fábrica 

Slide 26 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

HABLAR
(tú) hablas español?
Sí, (yo) hablo español. 
Pablo habla español?
Sí, (él) habla español. 
(vosotros) habláis español?
Sí, (nosotros) hablamos español.
Todos hablan español.
SPREKEN
Spreek jij Spaans?
Ja, ik spreek Spaans.
Spreekt Pablo Spaans?
Ja, hij spreekt Spaans. 
Spreken jullie Spaans? 
Ja, wij spreken Spaans. 

Ze spreken allemaal Spaans.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LLAMARSE

yo me llamo
tú te llamas 
él/ella/usted se llama

nosotros/as nos llamamos
vosotros/as os llamáis 
ellos/ellas/ustedes se llaman
zich noemen/heten

ik heet 
jij heet 
hij/zij/u heet 

wij heten 
jullie heten 
zij heten /u heet 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Video

Deze slide heeft geen instructies