4.6 Geldzaken

4.6 Geldzaken
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

4.6 Geldzaken

Slide 1 - Tekstslide

Na deze les kun je:
Je kunt verschillende soorten uitgaven noemen.
Je kunt uitleggen wat garantie is en waar je aan productinformatie kunt komen.
Je kunt beschrijven hoe je goed kunt omgaan met zakgeld en kleedgeld.
Je weet hoe je overzicht kunt houden over je inkomsten en uitgaven.
Je kunt uitleggen waarom je voorzichtig moet zijn met aankopen op afkoop of abonnementsbasis.

Slide 2 - Tekstslide

Uitgaven
Wanneer je iets in de winkel of online koopt ben je een consument. 

De dingen die je koopt zijn producten. 

Slide 3 - Tekstslide

Uitgaves
Wanneer je winkelt is het geld wat je uitgeeft een uitgave. 

Persoonlijke uitgaven zijn voor één persoon, als je iets voor het gezin koopt zijn het gezinsuitgaven. 

Slide 4 - Tekstslide

Consument
Een consument is iemand die een product koopt. Kopen betekent dat je geld uitgeeft. 

Bij een aankoop:
> Koper: plicht om te betalen. 
> Verkoper: plicht om te leveren. 

Slide 5 - Tekstslide

Ondeugdelijk
Iets wat niet te gebruiken is. 

> Repareren
> Omruilen wanneer dat aangegeven is op de bon en binnen de ruiltermijn (binnen hoeveel dagen je mag ruilen)
> Geld terug

Slide 6 - Tekstslide

Garantie
Garantiebewijs: Bonnetje/factuur

Garantietermijn: tijd waarin de garantie geldt. 

De consument moet kunnen bewijzen dat je het hebt gekocht. Je moet er wel goed voor zorgen. Dus lees de handleiding! 

Slide 7 - Tekstslide

Consumentenbond
> Prijzen vergelijken
> Kwaliteit en reviews
> Beste koop

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Impulsaankoop
Als je iets koopt wat je niet van plan was, noem je dit een impuls aankoop. Je hebt er niet van te voren over nagedacht. 

Denk aan: snoep bij de kassa leggen. 

Slide 10 - Tekstslide

Budget
Je budget is het geld wat je kunt uitgeven. 

Als je een budgetoverschrijding hebt, geef je teveel uit. 
Als je een budgetoverschot hebt, ben je aan het sparen. 

Bezuinigen: minder geld uitgeven, dus goedkopere dingen kopen of minder dingen kopen. 

Slide 11 - Tekstslide

Abonnementen en afbetaling
Je kunt een abonnement hebben op een tijdschrift, een club, een maaltijdbox of voor je telefoon. 

Vaak zijn deze producten duur, maar doordat je het per maand betaald merk je dat minder. Eigenlijk leen je geld, en dat kost geld. Als je geld leent heb je schulden, vaak moet je daarover ook rente betalen. Je betaalt dan meer dan je hebt geleend. 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Aan de slag
LEES de tekst van 4.6 en MAAK de opdrachten

Weektaak: tm 4.6

Slide 14 - Tekstslide