B4: De nieren

Thema 3: Gaswisseling en uitscheiding
Paragraaf 4: De nieren
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 3: Gaswisseling en uitscheiding
Paragraaf 4: De nieren

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. Je kunt de bouw, werking en functie van de nieren en de urinewegen beschrijven
  2. Je kunt uitleggen hoe het interne milieu min of meer constant wordt gehouden door de nieren (homeostase)

Slide 2 - Tekstslide

Uitscheidingsstelsel: nieren, longen, huid
De afvalstoffen worden via de aorta naar de nierslagader vervoert.
de nieren zuiveren dit en vervoeren dit via de nierader naar de onderste holle ader

Slide 3 - Tekstslide

Nierfuncties
- Overtollig water en afvalstoffen als ureum  en overtollige zouten uitscheiden (welke moleculen maken deel uit van ureum?)
- pH, waterhuishouding en osmotische waarde van het interne milieu constant houden
- Afgifte hormoon EPO --> aanmaak rode bloedcellen (waar?)

Slide 4 - Tekstslide

Nierstichting:
"Per uur stroomt er ongeveer 60 liter bloed door je nieren. Per dag maken de nieren ongeveer 200 liter voorurine. Per dag komt er uiteindelijk 1,5 liter urine in je blaas."

Wat is dus het probleem voor de nieren?

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Link

Werking van de nieren
Afvalstoffen uit het bloed zuiveren (zoals zouten)

Niermerg en nierschors maken hier urine van
Urine wordt verzameld in de nierbekkens

Slide 7 - Tekstslide

Doorbloeding nieren

Per minuut stroomt er ruim 1 liter bloed door de nieren.

Hart -> aorta -> nierslagader -> kleinere nierslagadertjes -> Glomerulus -> haarvaten rond nierbuisjes  -> kleinere nieradertjes   ->  nierader  ->

--> onderste holle --> Hart




Slide 8 - Tekstslide

nierschors (verwijderen afvalstoffen)
niermerg ( verwijderen afvalstoffen)
nierbekken( urine wordt verzameld)
nierslagader ( vol afvalstoffen!)
nierader (gezuiverd bloed)
urineleider (urine afvoeren)

Slide 9 - Tekstslide

Nieren
  • In nierschors en niermerg liggen nefronen
  • Nefronen bestaan uit nierbuisjes
  • Nierbuisjes monden uit in verzamelbuisjes en die weer in nierbekken
  • Nierbuisje start met nierkapseltje (kapsel van Bowman), heeft twee gekronkelde delen en een lus (lis van Henle)
  • Haarvaten uit nierslagader: glomerulus
  • Diameter afvoerende arteriolen klein, zorgt voor hoge bloeddruk glomerulus
  • Veroorzaakt ultrafiltratie naar nierkapsel

Slide 10 - Tekstslide

1e kronkelige nierbuisje 
2e kronkelige nierbuisje
Lis van Henle         (BINAS)
Intensief contact tussen nierbuisjes en bloedvaten

=> er kunnen stoffen uit de voorurine worden teruggehaald  (= terugresorptie) en extra worden toegevoegd (= excretie)

Slide 11 - Tekstslide

afb.48 in je boek
hier vindt 80% van de opname plaats van voedingsstoffen (actief transport) en van water (osmose, via aquaporine-1)
hier vindt de laatste wateropname plaats o.i.v. ADH (aquaporine-2) (fine tuning)
toenemende osmotische waarde

Slide 12 - Tekstslide

Voorurine wordt geproduceerd door ultrafiltratie van bloed (hoge druk) in de glomerulus en komt binnen het kapsel van Bowman.
BINAS 85A

Slide 13 - Tekstslide

Nierslagader


  • Veel glucose
  • Veel zuurstof
  • Weinig koolstofdioxide
  • Veel ureum

Nierader


  • Weinig glucose
  • Weinig zuurstof
  • Veel koolstofdioxide
  • Weinig ureum


Slide 14 - Tekstslide

Waterhuishouding & hormonen
  • ADH: Antidiuretisch hormoon -> Anti-plashormoon
  • Te hoge osmotische waarde bloed gemeten in hypothalamus -> ADH -> wand verzamelbuisje meer permeabel voor water -> water vanuit voorurine naar niermerg/bloed -> minder urineproductie -> osmotische waarde daalt
  • Alleen bij een te hoge osmotische waarde

Slide 15 - Tekstslide

Uitscheiding

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Diameter aanvoerende nierslagader > afvoerende nierslagader --> hoge druk --> ultrafiltratie

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Terugresorptie = stoffen terughalen naar het bloed

Slide 24 - Tekstslide

pH 

Slide 25 - Tekstslide

Overige uitscheidingsorganen

Nieren: uitscheiding van urine met water, ureum en zouten

Lever: uitscheiding van gal met kleurstoffen

Longen: uitscheiding  van koolstofdioxide

Huid: uitscheiding van water en zouten

Slide 26 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. Je kunt de bouw, werking en functie van de nieren en de urinewegen beschrijven
  2. Je kunt uitleggen hoe het interne milieu min of meer constant wordt gehouden door de nieren (homeostase)
Opdrachten: 32, 33, 34, 35, 36, 37

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Link

Slide 30 - Link

Een deel van het bloedplasma wordt in een niereenheid uitgescheiden (ultrafiltratie).
In welk deel van een niereenheid gebeurt dit?
A
in de glomerulus
B
in het kapsel van Bowman
C
in de lis van Henle
D
in de verzamelbuis

Slide 31 - Quizvraag

Door welk van de volgende factoren vindt de ultrafiltratie plaats?
A
diffusie
B
osmose
C
gefaciliteerde diffusie
D
bloeddruk

Slide 32 - Quizvraag

De glomerulus is een kluwen van fijne haarvaten dat door het nierkapsel (kapsel van Bowman) omgeven wordt, hier vindt de filtratie plaats.
Welke van de onderstaande stoffen verlaat de bloedbaan NIET bij de filtratie?
A
glucose
B
zouten
C
eiwitten
D
vitamine C

Slide 33 - Quizvraag

In welk deel van de nieren liggen de lichaampjes van Malpighi en het eerste deel van de gekronkelde buis?
A
nierschors
B
niermerg
C
nierbekken

Slide 34 - Quizvraag

In welk deel van de nieren liggen de lissen van Henle?
A
nierschors
B
niermerg
C
nierbekken

Slide 35 - Quizvraag

De concentratie van glucose in de urine is 0, terwijl die in de voorurine 0,1 g/L is, hoe kan dat?

Slide 36 - Open vraag

Bekijk de concentraties Na+ in de drie kolommen op pagina 146 (afb. 47).
Welke conclusie kun je trekken over de filtratie en terugresorptie van Na+?
A
er vindt geen filtratie van Na+ plaats en geen resorptie
B
er vindt volledige filtratie van Na+ plaats en geen resorptie
C
er vindt geen filtratie plaats en vrijwel volledige resorptie
D
er vindt volledige filtratie plaats en bijna volledige resorptie

Slide 37 - Quizvraag

Bekijk tabel 85B in je Binas;
Welk van de genoemde stoffen wordt het minst teruggeresorbeerd?

Slide 38 - Open vraag

Wordt Na+ beter teruggeresorbeerd dan Cl- of andersom?
A
Na+ wordt beter teruggeresorbeerd dan Cl-
B
Cl- wordt beter teruggeresorbeerd dan Na+

Slide 39 - Quizvraag

In welke delen van een nefron wordt water geresorbeerd?

Slide 40 - Open vraag

Door welk transportmechanisme vindt wateropname uit de nierbuisjes plaats?
A
door diffusie
B
door osmose
C
door gefaciliteerde diffusie
D
door actief transport

Slide 41 - Quizvraag

Zal de hypofyse bij een te hoge osmotische waarde van het bloedplasma meer of minder ADH afgeven? En zal daardoor de osmotische waarde stijgen of dalen?

A
meer ADH, de osmotische waarde stijgt
B
meer ADH, de osmotische waarde daalt
C
minder ADH, de osmotische waarde stijgt
D
minder ADH, de osmotische waarde daalt

Slide 42 - Quizvraag

Functie aldosteron: wat heeft zout- en wateropname te maken met bloeddrukregulatie?

Slide 43 - Open vraag

er worden na het nierkapsel niet alleen stoffen geresorbeerd, maar ook afgestaan aan de nierbuisjes; welke stoffen zijn dat?

Slide 44 - Woordweb

in welke twee delen van een niereenheid bevindt zich dit koolzuuranhydrase?

Slide 45 - Open vraag

Waardoor wordt urine relatief zuur?

Slide 46 - Open vraag

Welke stof buffert de pH van het bloed?

Slide 47 - Open vraag

Heb je de leerdoelen onder de knie?
😒🙁😐🙂😃

Slide 48 - Poll

Waren er lastige onderdelen?
Of heb je nog vragen over bepaalde onderdelen?

Slide 49 - Open vraag