Herhaling tijdvak 3

Tijdvak 3
Hoofdstuk 6
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Tijdvak 3
Hoofdstuk 6

Slide 1 - Tekstslide

Hoe noemen we tijdvak 3? De tijd van...

Slide 2 - Open vraag

Van wanneer tot wanneer loopt tijdvak 3?

Slide 3 - Open vraag

Germaanse volken
Tijdens de laatste eeuw van het West-Romeinse rijk trokken Germaanse volkeren het rijk binnen. Omdat de Romeinen ze niet konden terugdringen bleven vele Germanen in het rijk. De Germaanse volken hadden allemaal een eigen staat, maar hadden veel gemeen:
- De talen leken op elkaar
- Ze leefden van de landbouw en leefden in dorpen
- De samenleving was gelaagd
- Ieder volk had verschillende stammen
- Iedere stam had vergaderingen van vrije mannen met macht

Slide 4 - Tekstslide

Karel de Grote
De Franken waren het belangrijskte Germaanse volk. Frankrijk is hiernaar vernoemd. Karel de Grote (742-814) was de bekendste Frankische koning. Hij deed veel voor het onderwijs, verbeterde het schrift en voerde veel oorlgogen om zijn land te vergroten en om het christendom te verspreiden.
Na de dood van Karel viel het rijk uiteen. De Germanen verdeelden het land onder zonen, vele opvolgers voeden oorlog met elkaar en het land werd aangevallen door de Noormannen en moslims. 

Slide 5 - Tekstslide

Samenleving Vroege Middeleeuwen
Steden werden in de Vroege Middeleeuwen (500-1000) kleiner. De meeste mensen trokken weer naar het platteland. De belangrijkste groepen in de bevolking werden: vrije boeren, horigen, edelen en geestelijken. De meeste mensen leefden op een domein: een dorp met omgeving en alles wat daarbij hoorde aan goederen en land. Dit werd vaak bestuurd door een edelman, bisschop of klooster. Het middelpunt van een domein was daarom een kasteel of klooster. Iedere grootgrondbezitter had ten minste één domein. Als iemand te veel domeinen had, liet hij deze besturen door rentmeesters. 

Slide 6 - Tekstslide

Vrije boeren en horigen
90% van de bevolking werkte op een domein. Onder hen in de leefomstandigheden zaten vele verschillen. Vrije boeren woonden op het domein en bezaten hun eigen gron met meestal onvrij personeel. De meeste mensen waren horigen (onvrije mensen). Zij hadden geen bezit en werkten iedere dag voor hun heer. Sommigen horigen pachtte (huurde) land. Als dit genoeg land was kon het gezin eten. Soms hadden deze horigen vrije tijd om wat extra geld te verdienen met een extra bedrijfje of ze hoefden minder oogst af te staan aan de heer. 

Slide 7 - Tekstslide

De Edelen
De adel bezat grond maar werkte hier niet op.In ruil voor arbeid van boeren gaven zij de boeren bescherming. De adel bestaat uit de lage adel en hoge adel. De lage adel had vaak één of een paar domeinen en hun kasteel was meer een boerderij.Een aparte groep in de lage adel waren ridders. De hoge adel was een kleine groep van bijvoorbeeld graven. Zij hadden honderden domeinen en grote kastelen.

Slide 8 - Tekstslide

Het leenstelsel
De hoge edelen hadden hun domeinen in leen van de koning. De hoge edelen hadden veel land gekregen en vroegen lage edelen om hen te helpen met verdediging en bestuur. De koning en edelen die meerdere domeinen in leen gaven zijn leenheren. De edelen die het in leen kregen zijn leenmannen. Het in leen geven van land in ruil voor diensten heet het leenstelsel. 

Slide 9 - Tekstslide

Was de hoge adel een leenheer of leenman?
A
Leenheer
B
Leenman
C
Beide
D
Geen van beide

Slide 10 - Quizvraag

Seculiere geestelijken
De derde belangrijke groep was de geestelijkheid. Er zijn hierbij twee soorten: seculieren en reguliere. Seculiere geestelijken zijn de paus, bisschoppen en priesters. Zij leefden tussen de bevolking. Alleen mannen konden dit worden. De dorpspriester stond het dichtste bij het volk en hield toezicht op zijn groep gelovigen: Parochie. Iedere parochie had een eigen kerk. Boven de dorpspriester stonden bisschoppen. Zij moesten toezicht houden op de parochies in hun bisdom. De leider van de kerk was de paus. Hij stond boven alle geestelijken, mocht regels vaststellen en kon bischoppen bijeenroepen voor een kerkvergadering (concilie).

Slide 11 - Tekstslide

Reguliere geestelijken
Reguliere geestelijken zijn monniken en nonnen. Zij leefden in afzondering in kloosters. Het hoofd hiervan was een abt of abdis. Zij leefden van strenge regels en mochten nauwelijks bezittingen hebben. Ook mochten zij niet trouwen. Je was dan lid van een kloosterorde. Dit was een organisatie met dezelfde regels. De oudste orde zijn de Benedictijnen. Monniken en nonnen hadden dienende taken en gingen als pelgrims op reis.

Slide 12 - Tekstslide

Invloed geestelijken
De invloed van de geestelijken was in de Middeleeuwen groot. Iedereen was lid van dezelfde kerk en geloofden in het leven na de dood, waardoor de kerk veel invloed had. In de Middeleeuwen konden weinig mensen schrijven, dus men wist niet wat er buiten hun domein gebeurde. De kerk was het enige wat belangrijk was. De paus kon iedereen in de ban doen. Je was dan geen lid meer van de kerk en niemand mocht met je praten. Je kwam dan na de dood in de hel. Door de rijkdom van de kerk werkten veel mensen voor de kerk en waren ze afhankelijk. Dit zorgde ervoor dat iedereen naar de kerk en geestelijken luisterden. 

Slide 13 - Tekstslide

Herleving handel
In de Late Middeleeuwen (1000-1500) kwamen steden weer op en kwam de handel weer opgang. De hindernissen van rovers, tol en slechte wegen verdwenen. Ook kwam er weer één munt. Kooplieden en steden gingen samenwerken (gildes en Hanze). Kooplieden kregen ook hulp van koningen. De macht van leenmannen werd zo beperkt en koningen werden rijker.

Slide 14 - Tekstslide

Ken jij een Hanze-stad? Schrijf deze op.

Slide 15 - Open vraag

Steden groeien en ontstaan
Steden werden verzamelplaatsen voor de handel.  Oude steden groeien hierdoor en nieuwe ontstaan. Er kwam veel werk in de steden en er was meer vrijheid dan op het platteland. Men trok naar de stad om werk te zoeken. Vooral horigen, die eerst onvrij waren, trekken naar de stad om vrijheid te krijgen. Steden lagen in een domein en moest luisteren naar de baas van dit domein. Om de stad zelf te besturen vroegen stadsbewoners de koning om stadsrechten. De stad beloot dan zelf over belastingen, de omgeving, het bestuur en rechtspraak in de stad. Steden werden dan bestuurd door stadsreaden met rijke gildeleden. 

Slide 16 - Tekstslide

Gelaagdheid in steden
Met stadrechten werden de burgers in de stad vrij, maar niet iedereen was gelijk. Er ontstonden daarom bevolkginslagen. De bovenste laag werd gevormd door de meesters van gilden van kooplieden. Hieronder zat hoog personeel van gildemeesters. Zij leefden van loon en verdienden soms genoeg om hogerop te komen. De derde laag bestond uit knechten. Zij verdienden net genoeg om te leven. De laagste waren zwervers en bedelaars.

Slide 17 - Tekstslide

Opkomst nationale staten
In de Late Middeleeuwen ontstaan stagen met grenzen. In sommige staten kregen mensen een gevoel van saamhorigheid, deze staten heten noationale staten of naties. Het samenhorigheidsgevoel heet nationalisme. Mensen gingen zich samen voelen door: gemeenschappelijke belangrijk, dezelfde taal en gemeenschappelijke ervaringen. 

Slide 18 - Tekstslide

Engeland en Frankrijk als voorbeeld van nationale staten
Engelse koningen wilden hun macht vergroten en dit lukte. Door extra belastingen kwamen bevolkingsgroepn in opstand. Er kwam een parlement met vertegenwoordigers, alleen met toestemming mocht de koning belasting heffen.  In 1066 was Engeland vanuit Frankrijk veroverd, De Honderdjarige Oorlog (1337-1453) veranderde dit. Deze oorlog begon toen de Franse koning overleed, zonder opvolgers. Twee familieleden voerde oorlog om de opvolging. De oorlog ging voor Frankrijk slecht, totdat Jeanne d'Arc in beeld kwam. Er werd toen veel gewonnen en in 1453 gaf Engeland het Franse bezit terug. Een gevoel van Frans-zijn ontstond. 

Slide 19 - Tekstslide

Scheiding kerk en staat
Volgens gelovigen was er maar één heerser op aarde: de Paus. Vorsten moesten daarom naar hem luisteren. Deden koningen dit niet doen dan konden zij worden afgezet door de paus. Koningen kwamen hiertegen in opstand en wilden een scheiding tussen Kerk en Staat. De kerkelijke leiders mochten zich dan niet met de politiek bezighouden, en de koningen niet met de kerk. Ook wilden koningen bischoppen en leenmannen benoemen, want deze waren anders trouw aan de paus. De paus was tegen de scheiding omdat hij dan politieke macht zou verliezen. Een voorbeeld van zo'n conflict is de Investituursstrijd. 

Slide 20 - Tekstslide

Inquisitie en ketterij
Mesne waren heel gelovig en uitten hun woede in ketterijen: dit zijn meningen over het geloof die de kerkleiders verboden hadden. Ketterijen waren vooral populair in steden. De mensen die deze ideeën hadden heten ketters. De kerk wilde dit tegengaan en maakten eerst kloosterordes die moesten laten zien hoe je moest leven. Daarna werden speciale rechtbanken gemaakt: inquisities. Ketters werden hierdoor gestraft. 

Slide 21 - Tekstslide

Het recht
In de Middeleeuwen veranderde de rechtspraak in verhouding tot de Romeinen. Niet overal waren meer dezelfde rechten, niet iedereen was gelijk voor het recht en er waren meerdere rechtbanken: een kerkelijke rechtbank en gewonen rechtbank. 

Slide 22 - Tekstslide

Kunst
Kerkgebouwen werden gebouwd in twee stijlen: Romaans  of Gotisch. De Romaanse stijl is het oudste: ronde bogen, kleine ramen, dikke muren en zuilen. De Gotische stijl had: spitse bogen, hoge en smalle ramen met glas-in-lood, weinig muren en slanke zuilen. Kerken werden gebouwd met geld van gelovigen, als addoratie van God. Schilderijen werden gemaakt met en zonder gelovige thema's en kwamen steeds meer voor. 

Slide 23 - Tekstslide

De Islam
Aanhangers van de Islam zijn moslims. Zij vormen een minderheid in vele landen. De islam is ontstaan op het Arabisch schiereiland. Rond 570 wordt Mohammed in Mekka geboren. Hij kreeg de opdracht van Allah om de wil van Allah te vertellen aan de wereld. Mohammed is daarom een profeet. De Koran is het heilige boek. Hierin staat de soenna, wat uitspraken zijn van Mohammed.  Ook staan hier de sharia (islamitische wetten) in. Moslims moeten een geloofsbeleidenis uitspreken, bidden, vasten tijden Ramadan, aalmoezen geven en naar Mekka gaan.

Slide 24 - Tekstslide

Arabieren stichtten een groot rijk
Nog voor de dood van Mohammed (632) was het gehele Arabische schiereiland veroverd. Aan het hoofd van het Arabische rijk stond een kalief: de opvolger van Mohammed. In de 8e eeuw viel het rijk uiteen in vieren, door ruzie. Een moslim die Arabisch sprak noemen we Arabieren. In 711 kwamen de Arabieren aan in Spanje, In de 11e eeuw werden ze hieruit verdreven. De eerste kaliefen bestuurden het rijk goed. Vele veroverde volken namen de Islam over. Christenen en Joden werden vaak niet vervolgd tegen betaling. In de 11e eeuw werd veel van het rijk veroverd door de Turken. Tijdens dezelfde tijd begonnen de Kruistochten tegen de Islam. 

Slide 25 - Tekstslide

Moslims en christenen
In 1095 riep paus Urbanus II een vergadering bijeen. Hier werd besloten dat armen en rijken ten strijden moesten trekken naar 'Het Heilige Land' (Palestina/Jeruzalem). Tussen 1096 en 1270 werden tochten georganiseerd, die Kruistochten heten, vanwege het kruis op de kleding. In de eerste Kruistocht (1096-1099) werd Jeruzalem veroverd. Vele kruisridders bleven en stichtten kruisvaardersstaten. De andere kruistochten waren mislukkingen. Na meerdan 200 jaar stopen de Christelijke kerk hiermee.  Terug in Europa werd veel kennis uit Jeruzalem en Palestina meegenomen, waardoor veel werd ontdekt. 

Slide 26 - Tekstslide

KA9: Het ontstaan en de verspreiding van de Islam
In de 7e eeuw ontstond de Islam in Arabië. Door de verspreiding werd een groot gebied Islamitisch. Er ontstond een Arabisch rijk en de islamitische cultuur bloeide op. In 750 viel het rijk uiteen maar de islamistische wereld bleef een economische en culturele eenheid. 

Slide 27 - Tekstslide

KA10: De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur
De bevolking in Europa werd kleiner na de val van het West-Romeinse rijk. De nijverheid en handel viel in elkaar. Hierdoor verdween de lanbouwstedelijke samenleving bijna geheel. Men trok weer naar het platteland voor werk. Om bescherming te krijgen op het platteland (domeinen) kwam er een hofstelsel met horigheid met wederzijdse zekerheid. 

Slide 28 - Tekstslide

KA11: Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Rond 800 kwam Karel de Grote (Frankrijke Rijk) met een vergroting van het feodale stelsel. Het land werd bestuurd door lokale edelen, die al leenheren trouw moesten zijn aan de leenheer (de koning). Vanaf de 9e eeuw zorgde dit voor een versnippering (politkek) van het land in West-Europa. 

Slide 29 - Tekstslide

KA12: De verspreiding van het christendom in geheel Europa
De rooms-katholieke kerk was in het Romeinse rijk ontstaan.Door monniken werd het geloof in de vroege middeleeuwen verspreid onder het volk van Europa. Hierbij werd samengewerkt met de politieke elite, zoals koningen. De christelijke ideeën smolten samen met de Germaanse cultuur. Overal werden kerken gebouwd en je leven stond in het teken van het geloof.

Slide 30 - Tekstslide