5H Herh. 14.3 en 14.4 Zenuwstelsel

H14 Reageren
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

H14 Reageren

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud hoofdstuk
14.1 De ene spier is de andere niet
14.2 Je gezichtszintuig (herh. 4H)
14.3 Zenuwstelsel (herh. 4H)
14.4 Zenuwcellen (herh. 4H)
14.5 Hormonen

Slide 2 - Tekstslide

Deze les:
- Herhalen 14.3 + 14.4
- Quiz time!
- Examenvragen oefenen

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Overzicht (Nectar)

Slide 5 - Tekstslide

                           Bouw van een zenuwcel: namen? 
                     Weet je ze nog?

Slide 6 - Tekstslide

Heb je de namen goed?
1= dendriet
2= cellichaam
3=celkern
4=axon
5=synaps/einde axon

Slide 7 - Tekstslide

Bouw van zenuwcellen (neuronen) - BINAS 88A
Dendriet: loopt naar cellichaam toe

Axon: uitloper, loopt van cellichaam af, om axon zitten isolatielaagjes (myeline) van de cellen van Schwann

Cellichaam: bevat kern

Synaps: Einde van axon, impulsoverdracht naar volgende zenuwcel/spier

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Link

Soorten neuronen - BINAS 88A

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Link

De actiepotentialen worden sprongsgewijs doorgegeven van insnoering naar insnoering tussen de Myeline schedes (gevormd door de cellen van Schwann)
Bij een actiepotentiaal draait de lading om: binnen wordt positief i.p.v. negatief geladen door Na+ instroom ( = depolarisatie)

Slide 12 - Tekstslide

Impulsgeleiding op een rijtje
Impuls = elektrisch stroompje = actiepotentiaal
  • ontstaat als prikkel sterk genoeg is (boven drempelwaarde)
  • negatieve lading slaat om naar positieve lading door Na+ instroom
  • herstelt door K+ uitstroom, gevolgd door volledig herstel
  • zenuwcel is niet prikkelbaar tijdens K+ uitstroom/ korte herstelperiode
  • hoogte van impuls is altijd hetzelfde
  • bij sterkere prikkel neemt impulsfrequentie toe

Slide 13 - Tekstslide

Synaps - BINAS 88G

Slide 14 - Tekstslide

Automatisch en onbewust
In een reflex voer je een beweging uit voordat je je hiervan bewust wordt. 

Voorbeelden reflexen:
- kniepeesreflex
- pupilreflex

Slide 15 - Tekstslide

Reflexboog: via ruggenmerg met grijze en witte stof
Cellichamen van schakelcel en motorisch neuron in liggen in de grijze stof

Slide 16 - Tekstslide

Reflexboog, de hersenen worden pas later geïnformeerd: via witte stof ontvangen zij info via axonen

Slide 17 - Tekstslide

Reflexboog
In welke volgorde loopt de informatie-verwerking?


Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Link

Animale zenuwstelsel
Zowel de bewuste bewegingen als de reflexen lopen via het animale zenuwstelsel: 

De zenuwen lopen van uitwendige zintuigen (receptoren) via het centrale zenuwstelsel naar de uitvoerders (effectoren = spieren en klieren)


Slide 20 - Tekstslide

Autonome zenuwstelsel
Dit zenuwstelsel regelt de activiteit van de inwendige organen. 

Het bestaat uit twee delen:
- Orthosympatisch deel (actie van je lichaam)
- Parasympatisch deel (rust en herstel)

zie BINAS 88L


Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

Slide 23 - Tekstslide

Welk deel van een zenuwcel leidt impulsen van het cellichaam af?
A
Dendriet
B
Axon

Slide 24 - Quizvraag

Welke zenuwcellen liggen in hun geheel in het centrale zenuwstelsel?
A
bewegingszenuwcel
B
gevoelszenuwcel
C
schakelcellen
D
geen van alle

Slide 25 - Quizvraag

Waar ligt het cellichaam van de gevoelszenuwcel/ sensorisch neuron?
A
in het centrale zenuwstelsel
B
buiten het centrale zenuwstelsel

Slide 26 - Quizvraag

In welke richting geleiden gevoelszenuwcellen/ sensorische neuronen impulsen?
A
Naar het centrale zenuwstelsel toe
B
van het centrale zenuwstelsel af

Slide 27 - Quizvraag

Welk neuron eindigt bij een spier?
A
schakelcel
B
sensorisch neuron
C
motorisch neuron

Slide 28 - Quizvraag

Een sterkere prikkel leidt tot
A
hogere actiepostentiaal
B
hogere impulsfrequentie

Slide 29 - Quizvraag

Je ruikt eerst een vieze lucht wanneer je een lokaal inkomt, maar na een tijdje niet meer (=gewenning). Hoe kan dat?
A
de drempelwaarde wordt lager
B
de drempelwaarde wordt hoger
C
impulssterkte wordt lager
D
impulsfrequentie wordt lager

Slide 30 - Quizvraag

Waar ligt een motorprogramma voor fietsen opgeslagen?
A
primaire motorische schors
B
secundaire motorische schors
C
kleine hersenen

Slide 31 - Quizvraag

Je wilt je rechterhand optillen. Waar beginnen de impulsen?
A
primaire motorische schors
B
secundaire motorische schors
C
hersenstam
D
kleine hersenen

Slide 32 - Quizvraag

Kan dit reflex nog optreden als:
1. De zenuwcellen bij R zijn uitgeschakeld?
2. In de grote hersenen de bewegingscentra zijn uitgeschakeld?
A
1: Ja 2: Ja
B
1: Ja 2: Nee
C
1: Nee 2: Ja
D
1: Nee 2: Nee

Slide 33 - Quizvraag

Waar begint een reflex?
A
schakelcel
B
sensorische zenuwcel
C
motorische zenuwcel
D
zintuig

Slide 34 - Quizvraag

Welke onderdelen van een reflexboog liggen in het ruggenmerg?

Slide 35 - Open vraag

Je schrikt. Welk deel van je autonome zenuwstelsel is actief? En wat gebeurt er met je pupilgrootte?
A
orthosympatisch-groter
B
orthosympatisch-kleiner
C
parasympatisch-groter
D
parasympatisch-kleiner

Slide 36 - Quizvraag

Examenvragen oefenen
Maken examenvragen Zenuwstelsel (14.3 + 14.4)

--> link
timer
20:00

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Link