4.3 adjectief

Lesdoelen
Vandaag leer je:

-Hoe je het adjectief in een zin kan gebruiken.

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Lesdoelen
Vandaag leer je:

-Hoe je het adjectief in een zin kan gebruiken.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het adjectief (adjective)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het adjectief
Een adjectief vertelt iets over een ding/mens/plaats/idee/gevoel.
Dus: een adjectief vertelt iets over over een Substantief (noun).
Voorbeelden:
  • De blauwe trui (the blue sweater)
  • De aardige vrouw (the friendly woman)
  • Het leuke kind (the fun kid)

Slide 3 - Tekstslide

Wat is ook alweer een zelfstandig naamwoord? --> Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier, plant of ding. Je kunt meestal een lidwoord (de, het of een) voor het zelfstandig naamwoord zetten.
Het adjectief

Een adjectief staat vaak (often) direct vóór (in front of) een substantief (noun). 

  • De gelukkige jongen 
  • De warme zomers 
  • Een grappig kind

Slide 4 - Tekstslide

zelf vertalen
Het adjectief
Soms (sometimes) staat het adjectief aan het einde van de zin. 

De bal is rond. 
De huizen zijn groot.
De muziek is goed.

Slide 5 - Tekstslide

zelf vertalen
Meerdere (multiple) adjectieven in een zin
Een zin kan ėėn of meer adjectieven hebben.
Voorbeeld:
Mijn oom is een sterke en aardige man.
Ik ben vriendelijk en behulpzaam.
Mijn trouwe hond is erg speels.

Slide 6 - Tekstslide

vragen wat de adjectieven betekenen 

Adjectief -e/geen e
Vaak komt er een -e achter het woord, maar niet altijd. 
Staat het adjectief aan het einde van de zin, dan staat er GEEN -e achter!
  • Een leuke klas. / De klas is leuk.
  • De grappige jongen. / De jongen is grappig.
  • Het prachtige vakantiehuis. / Een prachtig vakantiehuis.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adjectief -e/geen e
De-woorden
Als het adjectief voor een de-woord staat, krijgt het adjectief altijd een -e:
de kleine courgette, een kleine courgette.

Het-woorden
Bij het-woorden krijgt het adjectief een -e, behalve als er een, geen of geen artikel voor het substantief staat:
het kleine bootje, een klein bootje, geen klein bootje, klein bootje

Slide 8 - Tekstslide

Kijk, in het Nederlands verandert het bijvoeglijk naamwoord.

Bij de-woorden → altijd -e (de rode appel).
Bij het-woorden met artikel → ook -e (het grote brood).
Bij een + het-woord → geen -e (een groot brood).


diminutieven krijgen het
meervoud krijgt de 
Adjectief -e

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is in deze zin het adjectief? (Which word is the adjective in the sentence?)

Dian schrijft een keurige mail.
A
schrijft
B
een
C
keurige
D
Dian

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is in deze zin het adjectief? (Which word is the adjective in the sentence?)

Heb jij die leuke video gezien?
A
leuke
B
video
C
gezien
D
jij

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is in deze zin het adjectief? (Which word is the adjective in the sentence?)

Mijn bruine poes ligt in haar knusse bed.
A
bruine
B
kat
C
bed
D
knusse

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het adjectief?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het adjectief?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het stoffelijk adjectief
  • Een stoffelijk adjectief vertelt je van welk materiaal iets gemaakt is. 

Voorbeelden:
  • Het gouden horloge.
  • Een papieren tas.
  • De houten tafel.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het stoffelijk adjectief?
Schrijf -en achter het materiaal.
houten / papieren / zilveren / ijzeren

Enkele uitzonderingen: 
plastic, nylon, aluminium, suéde.

een aluminium boot, een nylon jas

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het stoffelijk adjectief?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het stoffelijk adjectief?

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het __ overhemd hangt in de kast.
A
wit
B
witte

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Deze straat is erg __ in de ochtend.
A
druk
B
drukke

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik drink graag __ thee.
A
groen
B
groene

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De markt in Rotterdam is __.
A
groot
B
grote

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wil je __ praten, alsjeblieft?
A
langzaam
B
langzame

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er is in de herfst een __ vakantie.
A
kort
B
korte

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik heb een __ tandarts.
A
goed
B
goede

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De keuken is __ en licht.
A
nieuw
B
nieuwe

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De hoofdstad is __ voor een land.
A
belangrijk
B
belangrijke

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij hebben een __ kat.
A
grijs
B
grijze

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik vind het feest erg __.
A
gezellig
B
gezellige

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn vijf __ eilanden.
A
klein
B
kleine

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Haar kleding is zwart en __.
A
blauw
B
blauwe

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De man heeft een __ baard.
A
lang
B
lange

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ben __, want het regent.
A
nat
B
natte

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Extra zinnen
Het ... overhemd hangt in de kast (wit/witte)
Deze straat is erg ... in de ochtend (druk/drukke)
Ik drink graag ... thee (groen/groene)
De markt in Rotterdam is ... (groot/grote)
Er is in de herfst een ... vakantie (kort/korte)
Ik heb een goed ... tandarts (goed/goede)
Wij hebben een ... kat (grijs/grijze)
Er zijn vijf ... eilanden (klein/kleine)

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies