Toets 15

Hoe dient de bestuurder van een motorfiets het schakelpedaal te bedienen?
A
Vlot en rustig.
B
Vlot en rustig en voet in de basispositie.
C
Vlot en rustig en voet in de basispositie tenzij meteen geschakeld moet worden.
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

Hoe dient de bestuurder van een motorfiets het schakelpedaal te bedienen?
A
Vlot en rustig.
B
Vlot en rustig en voet in de basispositie.
C
Vlot en rustig en voet in de basispositie tenzij meteen geschakeld moet worden.

Slide 1 - Quizvraag

Hoe is de remverdeling voor wat betreft de achter- en voor rem?
A
A. 20% achterrem en 80% voorrem
B
B. 80% achterrem en 20% voorrem
C
C. 50% achterrem en 50% voorrem.

Slide 2 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een radiaal- en diagonaalband?
A
Radiaal lopen de koordlagen anders dan bij diagonaal.
B
Zowel bij radiaal en diagonaal lopen de koordlagen van wang tot wang.
C
In geval van radiaalbanden zijn deze stroever.

Slide 3 - Quizvraag

Waarom wordt een diagonaalband toegepast aan een motorfiets?
A
Alleen loopvlak wordt gebruik bij een motor.
B
Loopvlak alsmede wangen wordt gebruikt van de banden.
C
Radiale banden zijn niet geschikt daar deze stroever zijn.

Slide 4 - Quizvraag

Welke vloeistoffen dient de bestuurders dagelijks te controleren?
A
Remvloeistof, koelvloeistof en motorolie, olie van de voor en achtervering, brandstof
B
Brandstof, remvloeistof en motorolie.
C
Motorolie, accuvloeistof en versnellingsbakolie.

Slide 5 - Quizvraag

Welke vloeistof dient de bestuurder wekelijks of maandelijks te controleren?
A
Remvloeistof.
B
Koelvloeistof
C
Brandstof

Slide 6 - Quizvraag

Welk vloeistoflijn mag afwijken?
A
Koelvloeistof.
B
Motorolie
C
Remvloeistof.

Slide 7 - Quizvraag

Snelheid in een bocht wordt begrensd door?
A
Middelpuntvliedende kracht.
B
Wrijvingskracht
C
Aandrijfkracht

Slide 8 - Quizvraag

Je ziet 2 afbeeldingen van een motorfietsen. Welk voertuig heeft een grotere balhoofdhoek
A
Een chopper.
B
Een buikschuiver.
C
Beide hebben dezelfde.

Slide 9 - Quizvraag

Hoelang is een theoriecertificaat geldig van categorie A?
A
6 maanden.
B
1 jaar.
C
1,5 jaar.

Slide 10 - Quizvraag

In welk geval is de leerling niet verplicht het theorie-examen succesvol te hebben afgerond?
A
In geval van examen AVB.
B
In geval van examen AVD.
C
Rijles, singel.

Slide 11 - Quizvraag

Indien AVB succesvol is afgerond, binnen hoeveel tijd dient men AVD af te ronden?
A
Binnen 6 maanden.
B
Binnen 1 jaar.
C
Binnen 1,5 jaar.

Slide 12 - Quizvraag

Ingeval van hoeveel millimeter moet men de band van een motorfiets vervangen?
A
1 mm
B
2 mm
C
4 mm

Slide 13 - Quizvraag

In welke bocht moet men zoveel mogelijk rechts rijden?
A
In een onoverzichtelijke linkse bocht.
B
In een onoverzichtelijke rechts bochten.
C
In onoverzichtelijke bochten.

Slide 14 - Quizvraag

Hoe moet een motorfiets worden geplaatst?
A
Tegen een gevel.
B
Afgesloten tegen een vast voorwerp.
C
Zijstandaard of middenstandaard.

Slide 15 - Quizvraag

Hoeveel bijzondere verrichtingen moet de kandidaat uitvoeren tijdens het CBR-examen?
A
In totaal 7
B
In totaal 4
C
In totaal 12

Slide 16 - Quizvraag

Wat is over het algemeen plaats op de weg van een motorrijder?
A
Midden of iets links van het midden, zodat motorvoertuigen op meer dan 2 wielen je niet kunnen voorbijrijden.
B
Midden van de rijbaan zodat motorvoertuigen je niet kunnen inhalen.
C
Zoveel mogelijk links van de rijbaan zodat motorvoertuigen op meer dan 2 wielen je niet kunnen inhalen.

Slide 17 - Quizvraag

Wie zijn in deze reeks de meest kwetsbare weggebruikers?
A
Voetgangers, fietsers, bromfietsers en motorfietsers.
B
Alle weggebruikers, die geen airbag, kooiconstructie en kreukelzone hebben.
C
Kinderen, ouderen, gehandicapten.

Slide 18 - Quizvraag

In welke bochten gebruik je de achterrem om de motor onder controle te houden?
A
Linkse bochten.
B
Over Haakse bochten
C
Rechtse bochten

Slide 19 - Quizvraag

Wat moet de naderingssnelheid zijn in geval van een kruispunt?
A
Dat de bestuurder te allen tijde kan voldoen aan de voorrangsverplichting.
B
Dat de bestuurder rekening mee kan houden met de draaicirkel van grote voertuigen.
C
Dat de bestuurder tijdig kan stoppen indien noodzakelijk.

Slide 20 - Quizvraag