NN2 H2 grammatica: Woordsoorten

NN2 H2 grammatica: Woordsoorten
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo, mavoLeerjaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

NN2 H2 grammatica: Woordsoorten

Slide 1 - Tekstslide

De woorden van een taal kun je indelen in WOORDSOORTEN. Een voorbeeld van een woordsoort is een ZELFSTANDIG NAAMWOORD. Welke woordsoorten ken je nog meer?

Slide 2 - Woordweb

Instructie video over woordsoorten:

https://player.vimeo.com/video/273694835

Slide 3 - Tekstslide


Woordsoorten
De woorden van een taal kun je indelen in woordsoorten. Deze woordsoorten heb je al geleerd:

werkwoord (ww):                                zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. In een zin staat ten minste                                                                         één werkwoord. Een werkwoord heeft verschillende vormen. Bijvoorbeeld                                                                         ‘gaan’: ga, gaat, gaan; ging, gingen; gegaan.

lidwoord (lw):                                        de, het, een

zelfstandig naamwoord (zn):           is een woord voor een mens, dier, plant of ding: buurman, kat, boterbloem,                                                                        bioscoopkaartje, oktober. Een naam is ook een zelfstandig naamwoord:                                                                              Jan, Utrecht.

bijvoeglijk naamwoord (bn):            vertelt iets over een zelfstandig naamwoord: klein, mooie. Een stoffelijk                                                                                bijvoeglijk naamwoord zegt waarvan iets gemaakt is: zilveren, houten.

voorzetsel (vz):                                      is een kort woord dat vaak een tijd of plaats aangeeft, zoals op, na, tijdens,                                                                         door.

Slide 4 - Tekstslide

Wat is het woord in hoofdletters?

Karin, heb jij ROZEN gegeven aan je vriendje?
A
ww
B
lw
C
zn
D
vz

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het woord in hoofdletters?

Karin, heb jij rozen GEGEVEN aan je vriendje?
A
ww
B
lw
C
zn
D
vz

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het woord in hoofdletters?

Tygo heeft kaas en ham OP de broodjes gedaan.
A
ww
B
lw
C
zn
D
vz

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het woord in hoofdletters?

Tygo heeft kaas en ham op DE broodjes gedaan.
A
ww
B
lw
C
zn
D
vz

Slide 8 - Quizvraag

Hoeveel bijvoeglijk naamwoorden staan in deze zin?

Bianca kocht een leren jasje in het kleine winkeltje op de hoek.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 9 - Quizvraag

Welke 2 zijn dat?

Bianca kocht een leren jasje in het kleine winkeltje op de hoek.

Slide 10 - Open vraag

Benoem het woord in hoofdletters:

In SEPTEMBER gaan we altijd paardrijden op de Veluwe.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 11 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

In september gaan we altijd paardrijden op de VELUWE.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 12 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Vorige maand heeft Mohamed zijn abonnement bij Vodafone OPGEZEGD.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 13 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Vorige MAAND heeft Mohamed zijn abonnement bij Vodafone opgezegd.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 14 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Tijdens HET hardloopwedstrijdje struikelde Jorn bijna over een kat.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 15 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Tijdens het hardloopwedstrijdje struikelde JORN bijna over een kat.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 16 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Tijdens het hardloopwedstrijdje STRUIKELDE Jorn bijna over een kat.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 17 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Voor mijn broertje heb ik online een KLEURRIJK fotoalbum gemaakt.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 18 - Quizvraag

Benoem het woord in hoofdletters:

Voor mijn broertje HEB ik online een kleurrijk fotoalbum gemaakt.
A
ww
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 19 - Quizvraag


Achter, voor, in en naar zijn voorbeelden van ...
A
vz
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 20 - Quizvraag


Breda, juli, Willemijn en speedboot zijn voorbeelden van ...
A
vz
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 21 - Quizvraag

In deze zin staat/staan ... bijvoeglijk naamwoord(en):

Peter heeft vandaag gevist en heeft vijf grote snoekbaarzen gevangen.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 22 - Quizvraag

Het bijvoeglijk naamwoord(en) is/zijn:

Peter heeft vandaag gevist en heeft vijf grote snoekbaarzen gevangen.

Slide 23 - Open vraag