Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Kostprijs en verkoopprijs
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Kostprijs en verkoopprijs
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F2 30.1-30.3. Image credit: ocean yamaha / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Wat ga je kunnen?
Ik kan kostensoorten uitleggen, een tarief en het resultaat berekenen, integrale en variabele kostprijs vergelijken en een verkoopprijs met winstopslag en btw berekenen.
Deze slide heeft geen instructies
Je begint een praktijk waar je uren verkoopt. Welke kosten krijg je, en hoe bepaal je je tarief?
Verwachte woorden: huur, salaris, materiaal, auto, afschrijving, verzekering, uurtarief, winst, btw. Hang ze later op bij kostensoorten (blok 1), tarief en resultaat (blok 2), integraal en variabel (blok 3) en verkoopprijs (blok 4). Syllabus F2 30.1 tot en met 30.3.
Een taxichauffeur bij haar taxi, Lygourio (Griekenland)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Categoriale kostensoorten
Categoriale kostensoorten delen kosten in naar soort: waaraan geef je het geld uit?
Voorbeelden: personeelskosten, huisvestingskosten, autokosten, afschrijvingskosten, rentekosten.
Taxibedrijf Hoekstra: chauffeurssalarissen, huur van de stalling, brandstof, afschrijving van auto's.
Eén categorie kan constante én variabele kosten bevatten, zoals een vast salaris en een uurloon.
Syllabus 30.1.1: de verschillende categoriale kostensoorten noemen. De syllabus geeft geen vaste lijst; de genoemde soorten zijn gangbare voorbeelden. Een indeling naar soort zegt nog niets over het gedrag bij meer of minder afzet: dat is de volgende dia. Veelgemaakte fout: categoriale kostensoort en constante of variabele kosten voor hetzelfde houden. Image credit: George E. Koronaios / Wikimedia Commons, CC0
Een fysiotherapeut behandelt het been van een patiënt (foto: Shixart1985, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Constant of variabel
Constante kosten blijven gelijk bij meer of minder uren: huur, afschrijving, vast salaris.
Variabele kosten veranderen mee met de afzet, zoals materiaal per behandeling.
Proportioneel variabele kosten: elk uur kost evenveel, dubbele afzet geeft dubbele kosten.
Constante kosten € 6.000 per maand: bij 100 uur € 60 per uur, bij 150 uur € 40 per uur.
Syllabus 30.1.2: de verschillen tussen constante en (proportioneel) variabele kosten uitleggen. Per uur gerekend gedragen ze zich omgekeerd: constante kosten per uur dalen als de uren stijgen (6.000 : 100 = 60; 6.000 : 150 = 40), proportioneel variabele kosten per uur blijven gelijk. Veelgemaakte fout: denken dat constante kosten per uur ook constant zijn. Image credit: Shixart1985 / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Toegerekend of periode
Toegerekende kosten van een dienst: de variabele kosten die je direct aan de verleende dienst koppelt.
Periodekosten: de constante kosten. Je rekent ze niet toe aan een uur, maar boekt ze direct ten laste van het resultaat.
Fysiopraktijk: materiaal en wasgoed per behandeling zijn toegerekend, de huur is periodekosten.
Zo werkt de variabele kostencalculatie: constante kosten verdeel je niet over de uren, ze drukken in één keer op de periode.
Syllabus 30.1.3: het verschil tussen de toegerekende kosten van een dienst en periodekosten uitleggen, en 30.2.2 (constante kosten direct ten laste van de resultatenrekening). Veelgemaakte fout: denken dat periodekosten alleen kosten zijn die in één periode vallen; het gaat erom dat ze niet aan een dienst worden toegerekend.
Fysiopraktijk betaalt de eigenaar een vast salaris en een invaller € 40 per behandeluur. Wat geldt?
Salaris is constant, invaller-uurloon is variabel
Beide zijn constant, want beide zijn personeelskosten
Salaris is variabel, invaller-uurloon is constant
Beide zijn variabel, want mensen werken voor de klant
Syllabus 30.1.1 en 30.1.2. Beide kosten zijn personeelskosten (categoriale kostensoort), maar het vaste salaris is constant en het uurloon van de invaller is proportioneel variabel. Verwachte fout: de categorie (personeelskosten) gebruiken om te bepalen of kosten constant zijn.
Vul in
In de variabele kostencalculatie worden alleen de variabele kosten aan de verleende diensten toegerekend; de constante kosten zijn periodekosten van de periode.
Syllabus 30.1.3 en 30.2.2. Verwachte fout: de constante kosten ook aan de diensten toerekenen (dat doet de integrale kostprijs).
Behandelkamer van een tandartspraktijk, North Carolina (VS) (foto: Harrison Keely, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Tarief: variabel + opslag
Per uur verbijzonder je de variabele kosten; de constante kosten verreken je via een opslag.
Opslag per uur = begrote constante kosten : begrote declarabele uren.
Praktijk Mulder: € 240.000 constante kosten, 1.600 uur: opslag € 150 per uur.
Variabele kosten € 38 per uur: kostendekkend tarief = € 38 + € 150 = € 188 per uur.
Syllabus 30.2.1: het tarief berekenen van een dienstverlenende organisatie waarbij alleen de variabele kosten worden verbijzonderd en de constante kosten via een opslag per activiteit worden doorberekend. Uitwerking: 240.000 : 1.600 = 150; 38 + 150 = 188. Kostendekkend betekent: geen winst en geen verlies bij 1.600 uur; winst komt via een winstopslag (blok 4). Veelgemaakte fout: de constante kosten delen door de werkelijke in plaats van de begrote uren, of de variabele kosten vergeten. Image credit: Harrison Keely / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een kapsalon in Brastad (Zweden) (foto: W.carter, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Opslag per activiteit
Bij meer activiteiten verdeel je de constante kosten met een sleutel: per activiteit een opslag.
Kapsalon Elif: € 90.000 constante kosten, 60% naar knippen en 40% naar kleuren.
Knippen: € 54.000 : 1.800 uur = € 30 opslag. Kleuren: € 36.000 : 600 uur = € 60 opslag.
Variabele kosten € 4 en € 15 per uur: tarief knippen € 34, tarief kleuren € 75.
Syllabus 30.2.1: opslag per activiteit. De verdeelsleutel (hier 60% en 40%) staat in een examenopgave in de tekst. Uitwerking: 90.000 x 0,60 = 54.000; 54.000 : 1.800 = 30; 90.000 x 0,40 = 36.000; 36.000 : 600 = 60; 4 + 30 = 34; 15 + 60 = 75. Veelgemaakte fout: alle constante kosten delen door alle uren samen (90.000 : 2.400 = € 37,50), waardoor knippen te duur en kleuren te goedkoop wordt. Image credit: W.carter / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Resultaat per periode
Resultaat = omzet min toegerekende variabele kosten min periodekosten (constante kosten).
De constante kosten komen in één bedrag ten laste van de periode, ook als je minder uren declareert.
Praktijk Mulder: 1.700 uur x € 195 = € 331.500 omzet; variabele kosten 1.700 x € 38 = € 64.600.
Constante kosten € 240.000. Resultaat: € 331.500 − € 64.600 − € 240.000 = € 26.900.
Elk gedeclareerd uur draagt € 195 − € 38 = € 157 bij aan het dekken van de constante kosten.
Syllabus 30.2.2: het resultaat van een dienstverlenende onderneming over een periode berekenen volgens de variabele kostencalculatiemethode. In het examen heet het resultaat 'resultaat' (synoniem winst). Uitwerking: 1.700 x 195 = 331.500; 1.700 x 38 = 64.600; 331.500 − 64.600 = 266.900; 266.900 − 240.000 = 26.900. Bijdrage per uur: 195 − 38 = 157. Veelgemaakte fout: de constante kosten vergeten of ze per uur doorrekenen in plaats van in één bedrag af te trekken.
Praktijk Visser: € 180.000 constante kosten per jaar, 1.200 begrote uren en € 22 variabele kosten per uur. Kostendekkend tarief?
€ 150
€ 172
€ 128
€ 22
Syllabus 30.2.1. Uitwerking: opslag 180.000 : 1.200 = € 150; tarief 150 + 22 = € 172. Controle: 1.200 x 172 = 206.400 = 180.000 + 1.200 x 22 (26.400). Verwachte fouten: alleen de opslag (€ 150), de variabele kosten aftrekken (€ 128) of alleen de variabele kosten (€ 22).
Praktijk Visser (€ 22 variabel per uur, € 180.000 constant) declareert 1.100 uur à € 175. Wat is het resultaat?
Een positief resultaat van € 11.700
Een positief resultaat van € 168.300
Een positief resultaat van € 3.300
Een negatief resultaat van € 11.700
Syllabus 30.2.2. Uitwerking: omzet 1.100 x 175 = 192.500; variabele kosten 1.100 x 22 = 24.200; 192.500 − 24.200 = 168.300; 168.300 − 180.000 = −11.700. Verwachte fouten: het teken omdraaien, de constante kosten vergeten (€ 168.300) of de constante kosten per uur (€ 150 x 1.100 = 165.000) doorrekenen en zo op € 3.300 uitkomen.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Integraal en variabel
Integrale kostprijs per uur = variabele kosten per uur + opslag voor constante kosten: € 38 + € 150 = € 188.
Variabele kostprijs per uur = alleen de variabele kosten: € 38. De constante kosten zijn periodekosten.
Het verschil tussen de twee is de opslag voor de constante kosten: € 150 per uur bij 1.600 uur.
De variabele kostprijs is altijd lager en verandert niet als het aantal uren verandert.
Beide zijn een kostprijsmethode. De formules van dit onderwerp staan niet in Bijlage 4: je beredeneert ze zelf.
Syllabus 30.2.3: de verschillen tussen de integrale kostprijs en de variabele kostprijs uitleggen en berekenen. Praktijk Mulder uit blok 2. Begrip kostprijsmethode (F2). Bijlage 4 van de syllabus bevat geen formules voor tarief, kostprijs, winstopslag of btw; formules die je zelf kunt beredeneren staan er niet in, en een andere formule zou in de opgave gegeven worden. Veelgemaakte fout: denken dat de variabele kostprijs de kostprijs 'zonder winst' is; het verschil zit in de constante kosten, niet in de winst.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Als de uren tegenvallen
Vallen de uren tegen, dan worden de constante kosten over minder uren verdeeld: de opslag stijgt.
Mulder declareert 1.200 uur: € 240.000 : 1.200 = € 200 opslag, dus integrale kostprijs € 238 per uur.
De variabele kostprijs blijft € 38 per uur, ook bij 1.200 uur.
Tarief € 188: bijdrage € 150 per uur x 1.200 uur = € 180.000 tegenover € 240.000 constante kosten: resultaat − € 60.000.
Een extra uur boven de variabele kostprijs draagt bij aan de constante kosten, ook als het onder de integrale kostprijs ligt.
Syllabus 30.2.3. Uitwerking: 240.000 : 1.200 = 200; 200 + 38 = 238; bijdrage per uur 188 − 38 = 150; 1.200 x 150 = 180.000; 180.000 − 240.000 = −60.000. Controle: 1.200 x (188 − 238) = −60.000. Het begrote tarief van € 188 is dus niet meer kostendekkend. Veelgemaakte fout: denken dat de integrale kostprijs per uur vast ligt; hij hangt af van het aantal uren waarover je de constante kosten verdeelt.
Studio Haddou: € 128.000 constant, begroot 1.600 uur, € 20 variabel per uur. Werkelijk 1.280 uur. Integrale kostprijs per uur?
€ 120; de variabele kostprijs blijft € 20
€ 100; de variabele kostprijs blijft € 20
€ 120; de variabele kostprijs stijgt naar € 25
€ 100; de variabele kostprijs daalt naar € 16
Syllabus 30.2.3. Uitwerking: 128.000 : 1.280 = € 100 opslag; 100 + 20 = € 120 integrale kostprijs; de variabele kostprijs blijft € 20 per uur. Controle: 1.280 x 120 = 153.600 = 128.000 + 1.280 x 20 (25.600). Verwachte fout: de begrote uren gebruiken (opslag € 80, kostprijs € 100) of denken dat ook de variabele kostprijs per uur meebeweegt.
Glazenwassers aan de Westlake Center-kantoortoren, Seattle (VS), 2009 (foto: TriviaKing, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Winstopslag en winstmarge
Winstopslag is een percentage over de kostprijs: verkoopprijs = kostprijs x (1 + winstopslag).
Winstmarge: de winst als percentage van de verkoopprijs exclusief btw.
Glazenwasserij Jansen: kostprijs € 40 per uur, winstopslag 25%: verkoopprijs exclusief btw € 50.
Winst € 10: winstopslag 10 : 40 = 25%, winstmarge 10 : 50 = 20%. Andere basis, dus ander percentage.
Syllabus 30.3.2: op basis van de kostprijs via een winstopslag de verkoopprijs berekenen; begrippen winstopslag en winstmarge (F2). De syllabus geeft geen formule voor de winstmarge; hier is de gangbare omschrijving gebruikt: winst als percentage van de verkoopprijs exclusief btw. In een examenopgave staat de gevraagde grondslag in de tekst. Uitwerking: 40 x 1,25 = 50; 50 − 40 = 10; 10 : 40 = 0,25; 10 : 50 = 0,20. Veelgemaakte fout: winstopslag en winstmarge verwisselen of het percentage over de verkoopprijs nemen in plaats van over de kostprijs. Image credit: TriviaKing, DWS Montag Zen / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Btw in de verkoopprijs
Btw reken je over de verkoopprijs exclusief btw; het btw-percentage staat in de opgave (hier 21%).
Inclusief btw = exclusief btw x 1,21 en exclusief btw = inclusief btw : 1,21.
Jansen: € 50 exclusief btw x 1,21 = € 60,50 inclusief btw. Daarvan is € 10,50 btw.
Betaalt de klant € 72,60 inclusief btw, dan is de verkoopprijs exclusief btw € 72,60 : 1,21 = € 60.
Kostprijs en winstopslag reken je met bedragen exclusief btw. Te betalen btw min te vorderen btw draag je af.
Syllabus 30.3.1: de verkoopprijs inclusief btw berekenen als de prijs exclusief btw bekend is (en vice versa); begrippen te betalen btw en te vorderen btw (F2). Uitwerking: 50 x 1,21 = 60,50; 50 x 0,21 = 10,50; 72,60 : 1,21 = 60. De btw is geen opbrengst of kost van de ondernemer. Veelgemaakte fout: van de prijs inclusief btw 21% aftrekken in plaats van delen door 1,21.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Terugrekenen vanaf de markt
Een concurrent vraagt € 101,64 inclusief 21% btw: exclusief btw is dat € 101,64 : 1,21 = € 84.
Met 40% winstopslag mag je kostprijs hoogstens € 84 : 1,40 = € 60 zijn.
Is jouw kostprijs € 66, dan is de winst bij € 84 gelijk aan € 18: winstopslag 18 : 66 = 27,3%.
De winstmarge is dan 18 : 84 = 21,4% van de verkoopprijs exclusief btw.
Van 40% naar 27,3% winstopslag is een daling van 12,7 procentpunten, geen 12,7%.
Syllabus 30.3.1 en 30.3.2 in omgekeerde richting. Uitwerking: 101,64 : 1,21 = 84; 84 : 1,40 = 60; 84 − 66 = 18; 18 : 66 = 0,2727; 18 : 84 = 0,2143; 40 − 27,3 = 12,7 procentpunten. Het onderscheid procent en procentpunt vraagt de syllabus expliciet (domein A, rekenvaardigheden). Veelgemaakte fout: de winstopslag over het bedrag inclusief btw of over de verkoopprijs rekenen.
Kostprijs € 80 per uur, de klant betaalt € 121 inclusief 21% btw. Hoe hoog is de winstopslag?
20%
51,25%
25%
41%
Syllabus 30.3.1 en 30.3.2. Uitwerking: 121 : 1,21 = 100 exclusief btw; winst 100 − 80 = 20; winstopslag 20 : 80 = 0,25 = 25%. Verwachte fouten: de winst delen door de verkoopprijs, dat is de winstmarge (20 : 100 = 20%), de btw niet eraf halen ((121 − 80) : 80 = 51,25%) of de btw erbij tellen als winst ((121 − 80) : 100 = 41%).
Welk onderdeel vond je het lastigst?
Kostensoorten indelen
Tarief met opslag berekenen
Integrale en variabele kostprijs
Winstopslag, winstmarge en btw
Gebruik de uitslag om te kiezen welk blok je nog een keer doorloopt met de cijfers van praktijk Mulder.
Welke fout maak jij het snelst bij een tarief?
Goede antwoorden: constante kosten delen door de werkelijke in plaats van de begrote uren, de variabele kosten vergeten, de winstopslag en winstmarge verwisselen, 21% aftrekken in plaats van delen door 1,21. Gebruik ze als start van de training.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Begrippen (1/2)
categoriale kostensoorten: Kosten ingedeeld naar soort, zoals personeels-, huisvestings- en autokosten.
constante kosten: Kosten die gelijk blijven bij meer of minder afzet.
(proportioneel) variabele kosten: Kosten die met de afzet meebewegen; proportioneel: een vast bedrag per eenheid.
toegerekende kosten: Variabele kosten die je direct aan de verleende dienst koppelt.
periodekosten: Constante kosten die niet aan een dienst worden toegerekend maar ten laste van de periode komen.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Begrippen (2/2)
integrale kostprijs: Variabele kosten per uur plus een opslag voor de constante kosten.
variabele kostprijs: Alleen de variabele kosten per uur.
variabele kostencalculatie: Alleen variabele kosten aan diensten toerekenen; constante kosten direct ten laste van het resultaat.
winstopslag: Percentage over de kostprijs dat je erbij optelt voor de verkoopprijs.
winstmarge: De winst als percentage van de verkoopprijs exclusief btw.
Deze slide heeft geen instructies