Kostprijs en verkoopprijs (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Examentraining

Kostprijs en verkoopprijs: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met rekenvragen en casussen over kostensoorten, tarieven met opslag, resultaat en kostprijs en de verkoopprijs met winstopslag en btw, met acht vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Examentraining

Kostprijs en verkoopprijs: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: ocean yamaha / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Wat ga je kunnen?

Ik kan kosten indelen, een tarief en het resultaat berekenen, kostprijzen vergelijken en een verkoopprijs met winstopslag en btw vaststellen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke kosten, uren, percentages en perioden staan er, en wat is begroot of werkelijk?

  • 2. Kies: constant of variabel, integraal of variabel, exclusief of inclusief btw, opslag of marge.

  • 3. Reken: stap voor stap en schrijf elke tussenuitkomst op.

  • 4. Controleer: klopt de eenheid (per uur of totaal) en past de uitkomst bij je schatting?

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Vraagtype 1: kostensoorten

  • Je krijgt een bedrijf met kostenposten en beoordeelt of ze constant, variabel of periodekosten zijn.

  • Constant blijft gelijk bij een andere afzet; variabel beweegt mee. Alleen variabele kosten worden toegerekend aan een dienst.

  • Kijk naar het gedrag van de kosten, niet naar de naam van de post.

Deze slide heeft geen instructies

Een schoonmaakbedrijf betaalt € 1.800 kantoorhuur per maand, € 0,60 aan middelen per uur en een vast salaris aan de planner. Welke posten zijn constant?

A

Schoonmaakmiddelen en kantoorhuur

B

Kantoorhuur en salaris van de planner

C

Schoonmaakmiddelen en salaris van de planner

D

Alle drie, want ze worden elke maand betaald

Syllabus 30.1.2. De huur en het vaste salaris blijven gelijk bij meer of minder uren; de middelen van € 0,60 per uur zijn proportioneel variabel. Verwachte fout: alle drie constant kiezen, omdat ze maandelijks op de bankafschriften staan.

Vertaalbureau Polder besteedt een opdracht van 20 uur uit tegen € 25 per uur. Het kantoor kost € 3.000 per maand. Wat hoort bij de opdracht?

A

€ 3.500 toegerekend; periodekosten € 0

B

€ 500 plus een deel van de huur toegerekend

C

€ 3.000 toegerekend; € 500 periodekosten

D

€ 500 toegerekend; het kantoor is periodekosten

Syllabus 30.1.3 en 30.2.2. Uitwerking: 20 x 25 = 500 toegerekende variabele kosten; de huur is constant en dus periodekosten. Verwachte fout: een deel van de huur toerekenen (dat doet de integrale kostprijs, niet de variabele kostencalculatie).

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Vraagtype 2: tarief berekenen

  • Je krijgt constante kosten, begrote uren en variabele kosten per uur, soms voor twee activiteiten.

  • Opslag per uur = (aandeel in de) constante kosten : begrote uren van die activiteit. Tarief = variabele kosten per uur + opslag.

  • Bij twee activiteiten reken je per activiteit met het eigen aandeel en de eigen uren.

Deze slide heeft geen instructies

Zwemschool Bosman: € 84.000 constant, € 14 variabel per uur. Vorig jaar 1.200 uur, dit jaar begroot 1.400 uur. Tarief dit jaar?

A

€ 74

B

€ 84

C

€ 60

D

€ 46

Syllabus 30.2.1: het tarief rekent met de begrote uren. Uitwerking: opslag 84.000 : 1.400 = € 60; tarief 60 + 14 = € 74. Controle: 1.400 x 74 = 103.600 = 84.000 + 1.400 x 14 (19.600). Verwachte fouten: de uren van vorig jaar gebruiken (84.000 : 1.200 = 70; 70 + 14 = € 84), alleen de opslag (€ 60) of de variabele kosten aftrekken (€ 46).

Fysiopraktijk: € 120.000 constant, 60% naar behandeling (1.500 uur), 40% naar training (500 uur). Variabel € 10 en € 6 per uur. Tarief training?

A

€ 66

B

€ 96

C

€ 102

D

€ 54

Syllabus 30.2.1. Uitwerking: training krijgt 120.000 x 0,40 = 48.000; opslag 48.000 : 500 = € 96; tarief 96 + 6 = € 102. Verwachte fouten: alle constante kosten over alle uren delen (120.000 : 2.000 = 60, tarief € 66), de variabele kosten vergeten (€ 96) of de opslag van behandeling (€ 48) met de variabele kosten van training optellen (€ 54).

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Vraagtype 3: resultaat en kostprijs

  • Webdesignstudio Kwok: constante kosten € 105.000 per jaar, variabele kosten € 10 per uur, begroot 1.500 uur.

  • Werkelijk declareert de studio 1.250 uur à € 90 per uur.

  • Resultaat volgens de variabele kostencalculatie: omzet min variabele kosten min constante kosten.

Deze slide heeft geen instructies

Resultaat volgens de variabele kostencalculatie?

Syllabus 30.2.2. Goed antwoord: een negatief resultaat (verlies) van € 5.000. Uitwerking: omzet 1.250 x 90 = 112.500; variabele kosten 1.250 x 10 = 12.500; 112.500 − 12.500 = 100.000; 100.000 − 105.000 = −5.000. Verwachte fout: de constante kosten niet in één bedrag aftrekken maar per uur met de begrote opslag (70 x 1.250 = 87.500) doorrekenen, waardoor er een positief resultaat uitkomt.

Wat is de integrale kostprijs per uur bij 1.250 uur?

Syllabus 30.2.3. Goed antwoord: € 94 per uur. Uitwerking: opslag 105.000 : 1.250 = 84; 84 + 10 = 94. Controle: tarief 90 ligt onder 94, dus 1.250 x (90 − 94) = −5.000, gelijk aan het resultaat hierboven. Verwachte fout: de begrote uren gebruiken (105.000 : 1.500 = 70; kostprijs € 80).

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Vraagtype 4: verkoopprijs

  • Je krijgt een kostprijs, een winstopslag of winstmarge en een btw-percentage.

  • Eerst de kostprijs maal (1 + winstopslag) voor de prijs exclusief btw; daarna maal (1 + btw-percentage) voor de prijs inclusief btw.

  • Winstopslag rekent over de kostprijs, winstmarge over de verkoopprijs exclusief btw.

Deze slide heeft geen instructies

Tolkenbureau: integrale kostprijs € 55 per uur, winstopslag 40%, btw 21%. Wat betaalt de klant per uur?

A

€ 88,55

B

€ 77,00

C

€ 93,17

D

€ 110,92

Syllabus 30.3.1 en 30.3.2. Uitwerking: 55 x 1,40 = 77,00 exclusief btw; 77 x 1,21 = 93,17. Verwachte fouten: de percentages optellen (55 x 1,61 = € 88,55), de btw vergeten (€ 77,00) of de 40% als marge over de verkoopprijs nemen (55 : 0,60 = 91,67; x 1,21 = € 110,92).

Een klant betaalt € 133,10 inclusief 21% btw; de winstopslag is 25% op de kostprijs. Hoe hoog is de winstmarge?

A

20%

B

25%

C

16,5%

D

21%

Syllabus 30.3.1, 30.3.2. Uitwerking: exclusief btw 133,10 : 1,21 = 110; kostprijs 110 : 1,25 = 88; winst 22; winstmarge 22 : 110 = 20%. Verwachte fouten: de winstopslag overnemen (25%), de winst delen door de prijs inclusief btw (22 : 133,10 = 16,5%) of het btw-percentage kiezen (21%).

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Kostensoorten

2

Tarief berekenen

3

Resultaat en kostprijs

4

Verkoopprijs

Bespreek het gekozen vraagtype na met een nieuwe casus van de leerlingen zelf.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS

Tips voor op het examen

  • Bepaal eerst of de uren begroot of werkelijk zijn: de opslag rekent met de begrote uren, de kostprijs achteraf met de werkelijke.

  • Constante kosten trek je bij het resultaat in één bedrag af; je telt ze niet per uur op.

  • Reken winstopslag, winstmarge en kostprijs altijd met bedragen exclusief btw.

  • Procentpunt is het verschil tussen twee percentages; procent is een relatieve verandering.

Deze slide heeft geen instructies