Gerund or infinitive

1 / 13
volgende
Slide 1: Video
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Video

Slide 2 - Video

Gerund
De gerund is een vorm van het werkwoord (stam + ing) die gebruikt wordt als zelfstandig naamwoord.

Slide 3 - Tekstslide

Wanneer gebruik je de Gerund?
a Als onderwerp:   Swimming is fun
b Na voorzetsels (about, in, off, at, of, without, by, before):
   He left without paying
c Na bepaalde uitdrukkingen (it's no use, it's no good, can't help, can’t stand)
   It's no use arguing
d Na de werkwoorden:  give up, enjoy,  go on, mind, fancy, finish, quit, suggest.  
    I enjoy going to the seaside

Slide 4 - Tekstslide

Je gebruikt de gerund ook na werkwoorden zoals like, hate, enjoy, love, remember, prefer, start, continue, keep, begin en stop wanneer het gaat over iets wat iemand vaak (of niet langer meer) doet:
I like swimming.
Harriet enjoys reading.
We  prefer kayaking to canoeing.

Slide 5 - Tekstslide

Remember

Als je na het werkwoord remember een gerund gebruikt, verwijs je naar het verleden. Gebruik je een infinitive, dan moet het nog gebeuren.
Remember fishing on the lake, those were good times!
Remember to walk the dog when you get home.






  I clearly remember telling him this. 
Ik herinner me nog duidelijk dat ik hem dit heb verteld.
 I must remember to phone him. 
Ik moet niet vergeten hem nog bellen.

Slide 6 - Tekstslide

I offered ... (help).
A
to help
B
helping

Slide 7 - Quizvraag

He wanted ... (speak) to the manager.
A
to speak
B
speaking

Slide 8 - Quizvraag

She put off ...
(get) out of bed.
A
to get
B
getting

Slide 9 - Quizvraag

I miss ... (go) to the beach.
A
to go
B
going

Slide 10 - Quizvraag

I don't like ... (work) here.
A
to work
B
working

Slide 11 - Quizvraag

I hate ... (arrive) too late.
A
to arrive
B
arriving

Slide 12 - Quizvraag

Gerund
Je gebruikt de '-ing vorm' als een soort zelfstandig naamwoord:

 1. Als het onderwerp van de zin.
Example: Biking in the mall is forbidden. 

2. Na voorzetsels. (kastwoorden)
Example: She's fond of cycling.

3. Na werkwoorden die zeggen hoe je iets vindt. (like, love, hate, enjoy, etc.)
Example: I love going to the movies. 

Slide 13 - Tekstslide