10.4 druk

10.4 druk
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

10.4 druk

Slide 1 - Tekstslide

10.4 Druk
10.4.1 Je kunt uitleggen hoe de druk op een ondergrond verandert, als grootte van de oppervlakte of de kracht verandert.
10.4.2 Je kunt de druk van een voorwerp op een ondergrond berekenen.
10.4.3 Je kunt eenheden van druk omrekenen.
10.4.4 Je kunt situaties beschrijven waarbij een kleine druk van belang is.
10.4.5 Je kunt situaties beschrijven waarbij een grote druk van belang is.

Slide 2 - Tekstslide

Kracht en oppervlakte
Voor de vervorming die een kracht veroorzaakt, zijn twee dingen van belang:
• hoe groot de kracht is die wordt uitgeoefend;
• hoe groot de oppervlakte is waarop de kracht werkt.

Hoe groter de oppervlakte is, des te beter wordt de 
kracht ‘verdeeld’ en des te kleiner is de vervorming.
Daarom is het vaak handig om te kijken hoe groot de 
kracht per oppervlakte-eenheid is. 
Anders gezegd: hoe groot de druk is.
Hoe meer banden, des te beter de kracht wordt verdeeld.

Slide 3 - Tekstslide

Druk berekenen
Je kunt de druk berekenen met de formule:

druk = kracht/oppervlakte

In symbolen schrijf je dit als:
p =F/A    p = F : A

In deze formule is:
• p de druk in pascal (Pa);
• F de kracht in newton (N);
• A de oppervlakte in vierkante meter (m2).





Slide 4 - Tekstslide

De druk verkleinen
 Als je een muurtje langs een terras bouwt, mag de druk op de bodem niet te groot worden. Anders zakt het in de grond weg.

Je kan 2 dingen doen: 
1. Je kunt de druk klein houden door lichte bouwmaterialen te gebruiken. Dan doe je iets aan de kracht die wordt uitgeoefend. 

2. Je kunt ook de oppervlakte groter maken waarop de kracht werkt .
Als de fundering breed genoeg is, wordt de druk op de bodem niet zo groot dat de muur verzakt.

Slide 5 - Tekstslide

De druk vergroten
Door de oppervlakte zo klein mogelijk te maken kun je de druk vergroten.

 Denk bijvoorbeeld aan het snijvlak van een mes, de bek van een nijptang, een punt van een injectienaald, enzovoort (afbeelding 3).
Een injectienaald dringt gemakkelijk de huid in.

Slide 6 - Tekstslide

Druk
De Fakir heeft een massa van 55 kg. 
Hij ligt op 700 spijkers die samen  een oppervlakte hebben van 2,5 m2
Bereken de druk op de Fakir

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 7 - Tekstslide

Druk
De Fakir heeft een massa van 55 kg. 
Hij ligt op 700 spijkers die samen  een oppervlakte hebben van 2,5 m2
Bereken de druk op de Fakir

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
gegeven:       massa = 55 kg    oppervlakte = 2,5 m2 
gevraagd:      druk
formule:         druk = kracht : oppervlakte
berekening:  kracht = 55 x 10 = 550 N
                         druk = 550 : 2,5 = 220
antwoord:     druk = 220 N/m2 = 220 Pa

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

huiswerk maken
paragraaf 10.4

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Druk
De Fakir heeft een massa van 55 kg. 
Hij ligt op 700 spijkers die samen  een oppervlakte hebben van 2,5 m2
Bereken de druk op de Fakir

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 12 - Tekstslide

Druk
De Fakir heeft een massa van 55 kg. 
Hij ligt op 700 spijkers die samen  een oppervlakte hebben van 2,5 m2
Bereken de druk op de Fakir

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
gegeven:       massa = 55 kg    oppervlakte = 2,5 m2 
gevraagd:      druk
formule:         druk = kracht : oppervlakte
berekening:  kracht = 55 x 10 = 550 N
                         druk = 550 : 2,5 = 220
antwoord:     druk = 220 N/m2 = 220 Pa

Slide 13 - Tekstslide

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
Een tractor duwt met een kracht van 20.000 N op de grond. De totale oppervlakte van de banden die de grond raken is 2 m².

Bereken de druk

Slide 14 - Tekstslide

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
Een tractor duwt met een kracht van 20.000 N op de grond. De totale oppervlakte van de banden die de grond raken is 2 m².

Bereken de druk
gegevens: F=20.000N A= 2m²
uitwerking: 
F=20.000/2=10.000N/m²

Slide 15 - Tekstslide

De druk onder een skateboardwiel is 0,8 N/cm².

Reken deze druk om naar N/m²

Slide 16 - Tekstslide

De druk onder een skateboardwiel is 0,8 N/cm².

Reken deze druk om naar N/m²
1N/cm²= 10.000N/m²

0,8 x 10.000= 8.000 N/m²

Slide 17 - Tekstslide

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
Een tractor duwt met een kracht van 20.000 N op de grond. De totale oppervlakte van de banden die de grond raken is 2 m².

Bereken de druk

Slide 18 - Tekstslide

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
Een tractor duwt met een kracht van 20.000 N op de grond. De totale oppervlakte van de banden die de grond raken is 2 m².

Bereken de druk
gegevens: F= 20.000N A= 2m²
gevraagd: P
formule: druk= kracht/oppervlakte
uitwerking: 20.000/2= 10.000 N/m²

Slide 19 - Tekstslide

Een trekker oefent een kracht van 30.000 N uit op de grond. De totale oppervlakte van de banden is 3 m².

a. Bereken de druk in N/m².

b. Reken je antwoord om naar N/cm².
Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 20 - Tekstslide

Een trekker oefent een kracht van 30.000 N uit op de grond. De totale oppervlakte van de banden is 3 m².

a. Bereken de druk in N/m².

gegevens: F= 30.000N A= 3m²
formule: druk= kracht/oppervlakte
uitwerking:
P=30.000/3= 10.000N/m²

Slide 21 - Tekstslide

Een trekker oefent een kracht van 30.000 N uit op de grond. De totale oppervlakte van de banden is 3 m².

b. Reken je antwoord om naar N/cm².

1 N/cm² = 10.000 N/m²

10.000/10.000= 1 N/cm²

Slide 22 - Tekstslide

klaas loopt op zijn sneakers door de sneeuw. De druk op de zolen hiervan is 
3,1x10 4 Pa. Omdat hij wegzakt in de sneeuw, trekt klaas sneeuwschoenen aan. Deze hebben een drie keer zo grote oppervlakte als zijn sneakers.
Hoe groot is de druk van de sneeuwschoenen op de sneeuw? 
Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 23 - Tekstslide

klaas loopt op zijn sneakers door de sneeuw. De druk op de zolen hiervan is 
3,1x10 4 Pa. Omdat hij wegzakt in de sneeuw, trekt klaas sneeuwschoenen aan. Deze hebben een drie keer zo grote oppervlakte als zijn sneakers.
Hoe groot is de druk van de sneeuwschoenen op de sneeuw? 
Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​
gegevens: F=3,1x10 4 Pa A=3
uitwerking:
P= 31.000/3= 10.333 Pa

Slide 24 - Tekstslide

Pieter weegt 68 kilo. De zolen van zijn schoenen hebben elk een oppervlakte van 400 cm².

a. Hoe groot is de druk die pieter uitoefent op de grond als hij met beide benen op de grond staat? reken de druk uit in N/cm²

b. Reken je antwoord van vraag a om naar Pa.
Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 25 - Tekstslide

Pieter weegt 68 kilo. De zolen van zijn schoenen hebben elk een oppervlakte van 400 cm².

a. Hoe groot is de druk die pieter uitoefent op de grond als hij met beide benen op de grond staat? reken de druk uit in N/cm²

Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 26 - Tekstslide

Pieter weegt 68 kilo. De zolen van zijn schoenen hebben elk een oppervlakte van 400 cm².

a. Hoe groot is de druk die pieter uitoefent op de grond als hij met beide benen op de grond staat? reken de druk uit in N/cm²

gegevens: A= 2x400= 800 N/cm² F=68x10=680N
uitwerking:
P=680/800= 0,85 N/cm²
Druk=​Oppervlakte​​Kracht​​

Slide 27 - Tekstslide

Pieter weegt 68 kilo. De zolen van zijn schoenen hebben elk een oppervlakte van 400 cm².

b. Reken je antwoord van vraag a om naar Pa.
gegevens: 0,85 N/cm²

1Pa = 1N/m² en 1 N/cm²= 10.000 N/m²

uitwerking
0,85x10.000=8.500 Pa

Slide 28 - Tekstslide