1.8 spelling

Welkom
Vervoeg de werkwoorden (schrift).
Hij (branden) zijn vingers.
 (vinden) jij dat fijn?
Ik (beloven) dat te doen.

Klaar: klik op de link in magister HW bij vandaag en maak de opdracht.

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Welkom
Vervoeg de werkwoorden (schrift).
Hij (branden) zijn vingers.
 (vinden) jij dat fijn?
Ik (beloven) dat te doen.

Klaar: klik op de link in magister HW bij vandaag en maak de opdracht.

Slide 1 - Tekstslide

Doelen:
  • Je weet wanneer je een .- ! - ? gebruikt.
  • Je weet hoe je een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijft.
  • Je weet wat een infinitief is.
Wat weet jij al?


Denken-Delen-Uitwisselen


Slide 2 - Tekstslide

Welk leesteken hoort er achter de zin?
Vind jij leestekens moeilijk

A
een punt
B
een uitroepteken
C
een vraagteken
D
niets

Slide 3 - Quizvraag

Welk leesteken hoort er achter de zin?
Schiet toch eens op
A
een punt
B
een uitroepteken
C
een vraagteken
D
niets

Slide 4 - Quizvraag

Aantekeningen  1.8 spelling
                          Schrijf de aantekening over in je schrift tabblad 
                                                 
Punt: einde van een zin. Zin begint met een hoofdletter
vraagteken: einde van een vraagzin
uitroepteken: na uitroep, bevel ( Doe dat mes weg!) 
                               (=gebiedende wijs)

Slide 5 - Tekstslide

Bekijk het filmpje door te klikken op de tekst

Slide 6 - Tekstslide

 WW in de TT
Verschil tussen de ik-vorm en de stam van een werkwoord
   infinitief                                               stam                            ik-vorm

branden                                          brand                                    brand
lopen                                               lop                                             loop
verhuizen                                       ?                                                   ?
beloven                                            ?                                                  ?

Slide 7 - Tekstslide

De STAM van een werkwoord

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen; wat je overhoudt, is de stam.






Als je het woord moet schrijven, pas je de stam aan naar de ik-vorm: loop



Bijvoorbeeld:

worden - en = word

lopen - en = lop

eten-en= et

reizen-en= reiz


Slide 8 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd

Je hoort of er iets achter komt of niet.

(vervang een -d-werkw. door lopen)

Tegenwoordige tijd krijgt een -t of niets



ik loop

ik vind

hij loopt

hij vindt

loop jij

vind jij

loopt hij

vindt hij

Slide 9 - Tekstslide

Jij (beloven) van alles.
A
beloof
B
beloovt
C
belooft
D
beloofd

Slide 10 - Quizvraag

De kleine jongen (worden) opgehaald.

Slide 11 - Open vraag

Opdrachten 1.8 spelling
Schrijf de aantekeningen (gele dia: 5-8-9 ) over.
Maak de opdrachten van de studiewijzer 1.8:  tot met 9




Vind je werkwoordspelling moeilijk: bekijk het filmpje.

Slide 12 - Tekstslide

Welkom!
1
WELKOM!
2
Boek- studiewijzer/mapje 
Pak alvast je spullen
Log in


Talent digitaal

We starten met
lezen.

Aantekeningen schrift
Laptop
Etui en je leesboek
3
4

Slide 13 - Tekstslide

Stille borddiscussie
stap 1 van zinsdeelproef= onderstreep het OW

De quizmasters vroeg het publiek om stilte. (ow)         wat vind jij

Volgens mij (zijn) ........ Marc verliefd op jou.    
                                                    De hond leevt al heel lang.
Zeurd zij  de hele dag
                                                         betrauwbaar
Dit word fantastisch.                                                         

Slide 14 - Tekstslide

 HELE WERKWOORD
Heel werkwoord: ander woord= infinitief (wij vorm in de tt)

wij lopen

zij fietsen

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 15 - Tekstslide

onregelmatige werkwoorden
-werkwoorden waarbij de regels niet gelden
-hebben-zijn-kunnen-zullen-willen- mogen
ik heb-jij hebt- hij heeft- wij hebben
ik ben- jij bent- hij is-wij zijn
ik kan- jij kunt/kan- hij kan- wij kunnen

Slide 16 - Tekstslide

PERSOONSVORM

- In de vorige lessen  heb je al geleerd hoe je de persoonsvorm kan vinden.


- De persoonsvorm is altijd een werkwoord.



Slide 17 - Tekstslide

Wat is de persoonsvorm in:
Ik was in het winkelcentrum.

Slide 18 - Open vraag

Wat is de stam van
beloven

Slide 19 - Open vraag

Jij vin.... dit een makkelijke quiz.
A
vint
B
vindt
C
vind

Slide 20 - Quizvraag

Schrijf de juiste vorm op:
Mijn oma (braden) een stukje vlees

Slide 21 - Open vraag

Opdrachten
Maak nu de opdrachten van de studiewijzer verder af.
Klaar: maak test jezelf of versterk jezelf van 1.8 en/of 1.7

Nog moeite met werkwoordspelling? 
  • Bekijk het filmpje op  dia 23-24
  • oefen op Numo.nl met werkwoordspelling
  • maak de creatieve opdrachten van de studiewijzer

Slide 22 - Tekstslide

0

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Wat is de stam / ik-vorm van
zingen

Slide 25 - Open vraag

Wat is de ik-vorm van
geven

Slide 26 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
(Geven) jij de ketchup aan mij?

Slide 27 - Open vraag

Welk leesteken hoort er achter de zin?

Ik ben blij dat het bijna vakantie is

A
een punt
B
een uitroepteken
C
een vraagteken
D
niets

Slide 28 - Quizvraag

GELEERD

SPELLING VAN DE PERSOONSVORM IN

DE TEGENWOORDIGE TIJD

- je weet hoe je de persoonsvorm vindt

-  je kent het verschil tussen stam van een werkwoord en de ik-vorm

- je kunt de persoonsvorm in de tt goed spellen


Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide