Verhaalanalyse_eerste10begrippen

literaire begrippen
1 / 21
volgende
Slide 1: Woordweb
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

literaire begrippen

Slide 1 - Woordweb

Donald Duck is in al die jaren nog steeds de
klunzige eend die allemaal vreemde avonturen
beleeft waar hij niet echt door verandert.
Donald Duck is dus...
A
een type
B
geen van drie
C
een round character
D
een flat character

Slide 2 - Quizvraag

Donald Duck is een type. Wat is de
definitie van een type?
Je hebt 1 minuut de tijd.

Slide 3 - Open vraag

Wanneer je een personage beoordeelt op basis van normen en waarden, dan stel je de vraag...
A
Ik vraag me af waarom het personage het heeft gedaan, want...
B
Ik snap waarom het personage het heeft gedaan, want...
C
Ik vraag me af wat het personage heeft gedaan, want...
D
Ik vind het goed of slecht van het personage wat hij heeft gedaan, want...

Slide 4 - Quizvraag

Beoordeel het personage uit het fragment op basis van normen en waarden

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Wat vind je van het gedrag van Helen?

Slide 7 - Open vraag

Begrijp je het gedrag van Helen?
A
ja
B
nee

Slide 8 - Quizvraag

Wat is een antiheld?
A
een held op sokken
B
iemand die de held tegenwerkt
C
iemand die zelf de regie over zijn/ haar leven heeft
D
iemand die niet de regie over zijn/haar leven heeft

Slide 9 - Quizvraag

Is Helen een held of antiheld in dit fragment?
A
held
B
antiheld

Slide 10 - Quizvraag

Wat zou 'verraad' in een verhaal niet kunnen zijn?
A
onderwerp
B
motief
C
thema
D
leidmotief

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het motief in het volgende verhaal?

Slide 12 - Tekstslide

Isaäc stond al uren op het achterdek. Hij was een aardige, maar een beetje vreemde jongen: Als hij aan boord werkte, verlangde hij naar een baantje aan de wal en als hij op kantoor zat, verlangde hij naar zee. Hij kon de saaie eentonigheid van het walbestaan niet verdragen en geld om te reizen had hij niet. Maar als hij op een schip was, had hij te maken met het ruwe gebral van de matrozen, die kaartten met het mes op tafel en die elkaar en hem uitscholden voor alles wat mooi en lelijk was. Isaäc hoorde er nooit bij. Op een schip paste hij nog het minst in de gemeenschap en juist daar dacht hij telkens weer de ware romantiek te vinden. Als het werk gedaan was, kon je hem altijd op het achterdek vinden. Alleen. Niemand wilde dan met hem mee. Het was nu al twee uur na middernacht, maar Isaäc bleef staan omdat het een maanheldere nacht was, je kon alle sterren van het zuidelijk halfrond zien en het schroefwater. Er stond een heerlijke zoele wind. Als je goed keek zag je ook de horizon of heel in de verte een schip, dat, was Isaäc een paar uur eerder geweest, recht op hem af was komen varen, maar het kon gezichtsbedrog zijn. Isaäc voer op een wildevaartschip en zag 's nachts nooit schepen. Hij dacht eraan hoelang het nog zou duren vóór hij weer thuis was. Hij keek naar de gemakkelijke stoel die hij op het achterdek had neergezet. Op een gegeven moment zag Isaäc het lichtje in de verte een zwenking maken; het kwam nu recht op hem af. Toen het dichterbij was gekomen, kwam Isaäc tot de conclusie dat dit haast geen schip kon zijn, omdat het zo onderhevig was aan de beweging der golven en omdat het maar bij één lichtje bleef. Een schip met alleen een heklicht aan? Toen het merkwaardige vaartuig tot op een afstand van tweehonderd meter Isaäc was genaderd, zag hij dat het een brommer was. Wie zou hem geloven? 




[p. 815]
tot op een afstand van tweehonderd meter Isaäc was genaderd, zag hij dat het een brommer was.

Slide 13 - Tekstslide

Welke motief haal jij eruit?

Slide 14 - Open vraag

Lees het volgende fragment en haal er een motief uit. 

Isaäc stond al uren op het achterdek. Hij was een aardige, maar een beetje vreemde jongen: Als hij aan boord werkte, verlangde hij naar een baantje aan de wal en als hij op kantoor zat, verlangde hij naar zee. Hij kon de saaie eentonigheid van het walbestaan niet verdragen en geld om te reizen had hij niet. Maar als hij op een schip was, had hij te maken met het ruwe gebral van de matrozen, die kaartten met het mes op tafel en die elkaar en hem uitscholden voor alles wat mooi en lelijk was. Isaäc hoorde er nooit bij. Op een schip paste hij nog het minst in de gemeenschap en juist daar dacht hij telkens weer de ware romantiek te vinden. Als het werk gedaan was, kon je hem altijd op het achterdek vinden. Alleen. Niemand wilde dan met hem mee. Het was nu al twee uur na middernacht, maar Isaäc bleef staan omdat het een maanheldere nacht was, je kon alle sterren van het zuidelijk halfrond zien en het schroefwater. Er stond een heerlijke zoele wind. Als je goed keek zag je ook de horizon of heel in de verte een schip, dat, was Isaäc een paar uur eerder geweest, recht op hem af was komen varen, maar het kon gezichtsbedrog zijn. Isaäc voer op een wildevaartschip en zag 's nachts nooit schepen. Hij dacht eraan hoelang het nog zou duren vóór hij weer thuis was. Hij keek naar de gemakkelijke stoel die hij op het achterdek had neergezet. Op een gegeven moment zag Isaäc het lichtje in de verte een zwenking maken; het kwam nu recht op hem af. Toen het dichterbij was gekomen, kwam Isaäc tot de conclusie dat dit haast geen schip kon zijn, omdat het zo onderhevig was aan de beweging der golven en omdat het maar bij één lichtje bleef. Een schip met alleen een heklicht aan? Toen het merkwaardige vaartuig tot op een afstand van tweehonderd meter Isaäc was genaderd, zag hij dat het een brommer was. Wie zou hem geloven?  


Slide 15 - Tekstslide

wat is de idee van een verhaal?
A
ultrakorte samenvatting van het verhaal in 1 zin
B
terugkerend element in een verhaal
C
de boodschap van de hoofdpersoon
D
de onderliggende boodschap van de schrijver

Slide 16 - Quizvraag

wat is de setting van een verhaal?
A
historische tijd, plaats en ruimte van het verhaal
B
periode waarin de gebeurtenissen zich afspelen
C
de plek waar het verhaal zich afspeelt
D
het tijdstip van het verhaal

Slide 17 - Quizvraag

Isaäc stond al uren op het achterdek. Hij was een aardige, maar een beetje vreemde jongen: Als hij aan boord werkte, verlangde hij naar een baantje aan de wal en als hij op kantoor zat, verlangde hij naar zee. Hij kon de saaie eentonigheid van het walbestaan niet verdragen en geld om te reizen had hij niet. Maar als hij op een schip was, had hij te maken met het ruwe gebral van de matrozen, die kaartten met het mes op tafel en die elkaar en hem uitscholden voor alles wat mooi en lelijk was. Isaäc hoorde er nooit bij. Op een schip paste hij nog het minst in de gemeenschap en juist daar dacht hij telkens weer de ware romantiek te vinden. Als het werk gedaan was, kon je hem altijd op het achterdek vinden. Alleen. Niemand wilde dan met hem mee. Het was nu al twee uur na middernacht, maar Isaäc bleef staan omdat het een maanheldere nacht was, je kon alle sterren van het zuidelijk halfrond zien en het schroefwater. Er stond een heerlijke zoele wind. Als je goed keek zag je ook de horizon of heel in de verte een schip, dat, was Isaäc een paar uur eerder geweest, recht op hem af was komen varen, maar het kon gezichtsbedrog zijn. Isaäc voer op een wildevaartschip en zag 's nachts nooit schepen. Hij dacht eraan hoelang het nog zou duren vóór hij weer thuis was. Hij keek naar de gemakkelijke stoel die hij op het achterdek had neergezet. Op een gegeven moment zag Isaäc het lichtje in de verte een zwenking maken; het kwam nu recht op hem af. Toen het dichterbij was gekomen, kwam Isaäc tot de conclusie dat dit haast geen schip kon zijn, omdat het zo onderhevig was aan de beweging der golven en omdat het maar bij één lichtje bleef. Een schip met alleen een heklicht aan? Toen het merkwaardige vaartuig tot op een afstand van tweehonderd meter Isaäc was genaderd, zag hij dat het een brommer was. Wie zou hem geloven? 

Slide 18 - Tekstslide

geef een beschrijving van de setting

Slide 19 - Open vraag

Over welk onderdeel van de setting kun je niet veel vertellen?
A
historische tijd
B
tijd van de dag
C
ruimte
D
plaats

Slide 20 - Quizvraag

wat is fabel?
A
een heel naar persoon met een flat character
B
chronologisch verteld verhaal met eventueel terugverwijzingen
C
niet chronologisch verteld verhaal met flashbacks en flash forwards
D
een chronologisch verhaal met flashbacks

Slide 21 - Quizvraag