cross

4 HAVO zouten par 4.2 + 4.3

H4: ZOUTEN par 2 + 3
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H4: ZOUTEN par 2 + 3

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen:
  • Je kunt op microniveau beschrijven wat gebeurt bij het oplossen van zout
  • Je kunt de oplosvergelijkingen van zouten geven
  • Je kunt de indamp vergelijkingen van zouten geven
  • Je kunt de reacties van Na2O, K2O, CaO en BaO met water geven
  • Je kunt de relatie leggen tussen kleur van een zout en de formule
  • Je kunt de formules en ionladingen geven van dubbelzouten
  • Je kunt beschrijven wat hydraten zijn
  • Je kunt ook van hydraten de oplos- en indampvergelijking geven

Slide 2 - Tekstslide

Zouten geleiden stroom wanneer ze zijn opgelost in water.

(10 s)
A
Macro-niveau
B
Micro-niveau

Slide 3 - Quizvraag

Oplossen van zouten
Sommige zouten zijn oplosbaar in water, bijv. keukenzout of calciumchloride (Binas 45A)
Wanneer een zout oplost in water, wordt de ionbinding verbroken.
De ionen bewegen zich dan lost van elkaar in de oplossing.


Slide 4 - Tekstslide

Welk zout lost niet op in water?

(45 s)
A
natriumcarbonaat
B
koper(II)nitraat
C
koper(II)carbonaat
D
natriumnitraat

Slide 5 - Quizvraag

Oplosvergelijking
NaCl(s) -> Na+(aq) + Cl-(aq)
De "opgeloste" ionen worden gehydrateerde ionen genoemd. De watermantel wordt weergegeven door achter de formule van het ion (aq) te zetten.

Slide 6 - Tekstslide

Bij oplossen van een zout worden ionen gehydrateerd door watermoleculen.

(10 s)
A
Macro-niveau
B
Micro-niveau

Slide 7 - Quizvraag

Wat is de juiste oplosvergelijking voor zinkchloride?

(1 min)
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 8 - Quizvraag

Bij oplossen van een zout worden de ionen omringt door watermoleculen.
Welk deel van een watermolecuul draait naar een positief ion toe? (20 s)
A
H
B
O

Slide 9 - Quizvraag

Slide 10 - Tekstslide

Indampvergelijking
De is de omgekeerde vergelijking van oplossen

 Na+(aq) + Cl-(aq) -> NaCl(s)

Slide 11 - Tekstslide

Geef de juiste vergelijking voor het indampen van een
aluminiumsulfaatoplossing.

(1 min)
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 12 - Quizvraag

Reactie met water
Er zijn vier zouten met een oxide‑ion die reageren met water.
zie binas 45A. Hier staat een "r" in de tabel.
Dit zijn :Na2O, K2O, CaO en BaO.

Bij deze reacties gebeurt steeds hetzelfde:
de O2-ionen reageren met een H2O molecuul en veranderen in 2 OH- ionen, die vervolgens gehydrateerd worden. De metaalionen veranderen niet. Ze worden alleen gehydrateerd.

Na2O (s) + H2O (l) → 2 Na+ (aq) + 2 OH- (aq)
Na2O (s) + H2O (l) →
2 Na+ (aq) + 2 OH- (aq)

Slide 13 - Tekstslide

Reactie met water
Uit de oxiden met water ontstaat dus steeds een oplossing van een hydroxide. Deze bevat dus OH- ionen. Oplossingen van hydroxiden worden vaak met hun triviale namen aangeduid. Deze triviale namen moet je onthouden. Je kunt ze ook vinden in tabel 66A van je Binas.

Slide 14 - Tekstslide

Wanneer je kaliumoxide met water mengt ontstaat de volgende oplossing:

(30 s)
A
kaliumoxide oplossing
B
kaliumhydroxide oplossing
C
kaliumdioxide oplossing
D
kaliumhydrideoplossing

Slide 15 - Quizvraag

Wat is kalkwater?

(20 s)

A
calciumhydroxide oplossing
B
natriumhydroxide oplossing
C
kaliumhydroxide oplossing
D
bariumhydroxide oplossing

Slide 16 - Quizvraag

Bijzondere zouten; kleur
Ionsoorten herkennen door kleur kan op twee manieren:

Vlamkleuring    Binas 65A
Gekleurde zouten/oplossingen Binas 65B

Pak deze tabel 65A voor je voor de volgende vraag.



Slide 17 - Tekstslide

Bijzondere zouten; kleur


Pak tabel 65b voor je voor de volgende vraag.



Slide 18 - Tekstslide

We strooien een zout in een vlam. De vlam kleurt groen. Welke ionsoort bevat het zout?

(20 s)
A
koperionen
B
lithiumionen
C
loodionen
D
natriumionen

Slide 19 - Quizvraag

We zien een lichtgroen zout. Welke ionsoort zal dit zout bevatten?

(20 s)
A
chloorionen
B
ijzer(II)ionen
C
ijzer (III) ionen
D
chroomionen

Slide 20 - Quizvraag

Bijzondere zouten; hydraten
Ionen in een ionrooster zitten op een bepaalde afstand van elkaar.
Er zit dus ruimte in het  kristalrooster.
Soms zit daar water in:kristalwater.
Deze zouten worden ook wel hydraten genoemd.

Dit zie je in de naam en in de formule:
Soda = natriumcarbonaatdecahydraat:    Na2CO3

Slide 21 - Tekstslide

Wat betekent "pentahydraat" in de naam koper(II)sulfaatpentahydraat?

(30 s)
A
de stof bevat per eenheid kopersulfaat 5 watermoleculen
B
de stof bevat per eenheid kopersulfaat 6 watermoleculen
C
de stof kopersulfaat is per eenheid opgelost in 5 watermoleculen
D
de stof kopersulfaat is per eenheid opgelost in 6 watermoleculen

Slide 22 - Quizvraag

Bijzondere zouten; dubbelzouten
Dubbelzouten zijn zouten waarin meerdere positieve/negatieve ionen voorkomen.
Bijvoorbeeld Mohrs zout : (NH4)2Fe(SO4)2 (s)

Ijzer kan 2 ladingen hebben, nl. 2+ of 3+

de lading kun je berekenen door te kijken naar de ladingen en aantallen van de andere ionen. Het geheel is neutraal

Slide 23 - Tekstslide

Bijzondere zouten; dubbelzouten
Dubbelzouten zijn zouten waarin meerdere positieve/negatieve ionen voorkomen.
Bijvoorbeeld Mohrs zout : (NH4)2Fe(SO4)2 (s)

NH4  is 1+ deze heb je 2x = 2+
SO4 is 2- deze heb je 2x = 4-
dus moet Fe 2+ zijn , dan is het geheel neutraal. Zie ook kleur!

Slide 24 - Tekstslide

Huiswerk:
Bekijk nogmaals de opgaven uit 4.2 en 4.3
Maak deze als je het niet had en kijk het ook na.

Slide 25 - Tekstslide

Een dubbelzout heeft altijd

(30 s)
A
twee ionsoorten
B
twee negatieve ionsoorten
C
twee positieve ionsoorten
D
twee of meer positieve en/of negatieve ionsoorten

Slide 26 - Quizvraag