Taalvariatie

1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Welke taalvarianten herkende je op de vorige slide?

Slide 2 - Woordweb

Welke taalvarianten bestaan er?

Slide 3 - Open vraag

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Wat is taalvariatie?
Er bestaan verschillende varianten van het Nederlands. De situatie waarin jij je bevindt gaat bepalen welke variant je gaat gebruiken. Dit zijn de bepalende factoren:
doelpubliek: jong - oud, bekend - onbekend...
tekstsoort: informatief, ontspannend, persuasief...
teksttype: mail, sms, bijsluiter...
medium: snapchat, krant, blog...



Slide 7 - Tekstslide

Wat is taalvariatie?
We maken een onderscheid op basis van:
1 regio: Standaardnederlands - tussentaal - dialect
2 register: formeel ,informeel - spreektaal, schrijftaal , archaïsch
3 sociolect: jargon, etnolect, opleiding, geslacht...
4 nationalect: Belgisch-Nederlands, Nederlands-Nederlands


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Link

Welke taalvariant van het Nederlands herken je?
A
dialect
B
tussentaal
C
Standaardnederlands

Slide 10 - Quizvraag

Welk dialect herken je?
A
Antwerps
B
Oost-Vlaams
C
West-Vlaams
D
Limburgs

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Video

Welke taalvariant van het Nederlands herken je?
A
dialect
B
tussentaal
C
Standaardnederlands

Slide 13 - Quizvraag

Welk dialect herken je?
A
Antwerps
B
Oost-Vlaams
C
West-Vlaams
D
Limburgs

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Tekstslide

Dialecten zijn kleinschalig: één specifiek dialect wordt meestal maar door een beperkte groep mensen gesproken.
A
juist
B
fout

Slide 16 - Quizvraag

Dialect heeft wel woorden die verschillen van het Standaardnederlands, maar geen grammaticale verschillen.
A
juist
B
fout

Slide 17 - Quizvraag

dialect
1 register: informeel
2 gebonden aan bepaalde streek: 
    kleine groep sprekers, moeilijk verstaanbaar voor anderen
3 gebruikt door vooral oudere mensen (bedreigd)
4 eigen woordenschat, grammatica, uitspraak en zinsbouw

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Vind jij het goed dat dialecten verdwijnen?
ja
nee

Slide 20 - Poll

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

Welke taalvariant van het Nederlands herken je?
A
dialect
B
tussentaal
C
Standaardnederlands

Slide 23 - Quizvraag

Tussentaal?
1648: Noordelijke Nederlanden (Nederland) worden 
             onafhankelijk 
             -> snelle standaardisering van de taal (officiële regels)
België: 18e en 19e eeuw: Frans = cultuurtaal
1830: Frans als officiële taal in België
            Nederlands = verzameling dialecten 
1960: Vlaamse beweging: gelijkheid van taal!


Slide 24 - Tekstslide

Tussentaal?
'60: Vlaamse beweging: gelijkheid van taal!
          -> officieel Nederlands maken: 
                1 eigen Belgisch Nederlands maken
                2 kijken naar Nederlands uit Nederland
                    -> geïmporteerd MAAR nooit 100% aanvaard
                    -> schriftelijk overgenomen, mondeling niet
                    -> ontstaan tussentaal: tussen dialect en SN



Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Link

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Welk kenmerk herken je?
'Ij eeft em zeker nog gezien op den dag van aar dood.'
A
wegvallen begin h
B
wegvallen eindklanken
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
andere verbuiging

Slide 31 - Quizvraag

Welk kenmerk herken je?
'Blijve zitte, zwijge en u late verzorge.'
A
wegvallen begin h
B
wegvallen eindklanken
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
andere verbuiging

Slide 32 - Quizvraag

Welk kenmerk herken je?
'Soms snap ekik em gewoon ni.'
A
wegvallen begin h
B
wegvallen eindklanken
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
andere verbuiging

Slide 33 - Quizvraag

Welk kenmerk herken je?
'Maar da was ni zo.'
A
wegvallen begin h
B
wegvallen eindklanken
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
andere verbuiging

Slide 34 - Quizvraag

Welk kenmerk herken je?
'Ik wil geen gezever.'
A
geen werkwoordsvorm uit SN
B
geen woord uit SN
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
verdubbeling onderwerp

Slide 35 - Quizvraag

Welk kenmerk herken je?
'Ik haddekik wel door da gij geen gewoon zijt.'
A
geen werkwoordsvorm uit SN
B
wegvallen eindklanken
C
geen voornaamwoorden uit SN
D
verdubbeling onderwerp

Slide 36 - Quizvraag

Taalcontinuüm
In de praktijk praten we niet enkel puur dialect óf perfecte standaardtaal. We passen onze taal aan aan de situatie of de plaats waar we zijn.
1. Het traditionele dialect (plaatselijk)
Dit is de taal van het eigen dorp of de eigen stad (bijvoorbeeld Brussels, Antwerps of Oostends). Dit type taal is vaak moeilijk te verstaan voor buitenstaanders.
2. Het regiolect (regionaal)
Een regiolect ontstaat wanneer lokale dialecten naar elkaar toe groeien. Er ontstaat een bredere 'provinciale' of regionale dialectvorm.

Slide 37 - Tekstslide

Taalcontinuüm
2. Het regiolect (regionaal)
In Vlaanderen spreken we dan over het Algemeen West-Vlaams, Gents, Antwerps of Limburgs. 
Een West-Vlaming uit Kortrijk en een West-Vlaming uit Brugge passen hun eigen dialect een beetje aan om elkaar vlot te verstaan, maar hun taal blijft overduidelijk West-Vlaams.
Voorbeeld: Het wegvallen van de h en het veranderen van de g in een h ("een èle goeie weke" voor "een hele goede week") is een regiolectisch kenmerk dat over heel West-Vlaanderen wordt gedeeld.

Slide 38 - Tekstslide

Taalcontinuüm
3. tussentaal
Tussentaal is is de informele dagelijkse omgangstaal geworden van de meerderheid van de Vlamingen (in soaps, tussen vrienden, op de werkvloer).
De woordenschat en zinsbouw zijn grotendeels gebaseerd op de standaardtaal, maar de grammatica en uitspraak zijn typisch Vlaams.
Een regiolect is gebonden aan een specifieke provincie (bijv. Limburgs), maar tussentaal overstijgt die grenzen. Een Antwerpenaar en een Limburger spreken in de praktijk vaak een heel gelijkaardige tussentaal met enkel een ander accent.

Slide 39 - Tekstslide

Taalcontinuüm
4 standaardtaal
Dit is het Belgisch-Nederlands dat je hoort in het VRT-nieuws, in de rechtszaal of leest in de krant.
Het volgt de officiële Nederlandse grammatica en spelling. Wel kent het een eigen uitspraaknorm (de 'VRT-norm') en specifieke woorden die in Nederland minder courant zijn (zoals omzendbrief, bijeenkomst of droogkuis), maar het is perfect verstaanbaar in het hele Nederlandse taalgebied.

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Taalcontinuüm
De verschillende varianten van het Nederlands beïnvloeden elkaar. Woorden die eerst dialect waren, kunnen uiteindelijk opgenomen worden in de standaardtaal.
De officiële standaardisering van het Nederlands in België werd lange tijd sterk door Nederland gedomineerd, daardoor kwamen dialectwoorden in eerst in de tussentaal (de informele spreektaal) terecht, om daarna pas de status van officiële standaardtaal (als Belgisch-Nederlands) te verwerven.

Slide 42 - Tekstslide

Pinker
Toen auto's in de twintigste eeuw massaal de weg op gingen, moesten de knipperende lichten aan de zijkant een naam krijgen. In Nederland werd dat uiteindelijk "richtingaanwijzer" of "knipperlicht". In Vlaanderen liep dat anders.
1 dialectische basis
 oorsprong 'pinker' =  Vlaamse en Brabantse dialecten. 
 "pinken" (of pinkelen) = "met de ogen knipperen" of "flikkeren" 
   eerste mechanische richtingaanwijzers ->  mensen in West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen: de lampjes = 'pinkers': dingetjes die 'pinken' (knipperen).

Slide 43 - Tekstslide

Pinker
2 Verschuiving naar tussentaal
Het woord 'pinker' bleef niet beperkt tot één provincie. Omdat autobestuurders uit verschillende regio's met elkaar in contact kwamen en automecanicien-werkplaatsen het woord overnamen, verspreidde pinker zich razendsnel over heel Vlaanderen.
In de jaren '70 en '80 groeide het woord uit tot een vast onderdeel van wat we nu 'tussentaal' noemen. Het was niet langer "plat dialect", maar de natuurlijke manier waarop Vlamingen van alle sociale klassen over hun auto spraken.

Slide 44 - Tekstslide

Pinker
3 Officiële erkenning in het Standaardnederlands
Lange tijd werd pinker door taalzuiveraars op school en op de openbare omroep (BRT/VRT) afgekeurd als "foutief". Maar het woord bleek veel te hardnekkig en te handig.
Tegenwoordig is de strijd gestreden: "pinker" is officieel opgenomen in de Dikke Van Dale als Standaardnederlands, met het label Belgisch-Nederlands. Het is dus een volwaardig standaardtaalwoord geworden, ontstaan op de Vlaamse dorpsvloer.

Slide 45 - Tekstslide

Andere voorbeelden
"Kuisen" (schoonmaken): Komt rechtstreeks uit de Vlaamse dialecten (oorspronkelijk 'zuiver' of 'vrij van zonde' maken). Vandaag de dag is het in heel België de absolute standaardnorm, hoewel men in Nederland nog altijd "schoonmaken" gebruikt.

"Smos" (een belegd broodje): Oorspronkelijk een Antwerps dialectwoord (van smossen, oftewel knoeien/morsen, omdat de mayonaise en groenten er altijd uitvielen). Via het continuüm (studenten, broodjeszaken) is het nu een officieel geaccepteerd woord in de Belgisch-Nederlandse standaardtaal.

Slide 46 - Tekstslide

Etnolect
Een etnolect is een taalvariant die gesproken wordt door een specifieke etnische groep binnen een groter taalgebied. Vaak ontstaat dit wanneer mensen met een migratieachtergrond de officiële landstaal spreken, maar daar woorden, grammatica of de uitspraak uit hun oorspronkelijke moedertaal in meenemen.

bv. de manier waarop Zwangere Guy Franse en Brusselse woorden (putain, djonko) door het Nederlands mixt vanwege de multiculturele Brusselse context.

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Video

Jargon
Jargon is een ander woord voor vaktaal. Het zijn de specifieke woorden, afkortingen en termen die gebruikt worden door mensen binnen een bepaald beroep, hobby of vakgebied. 
bv. 
Medisch jargon: "De patiënt heeft een supracondylaire humerusfractuur" (een gebroken elleboog).
Kantoorjargon: "We moeten dit even backstagen en de learnings meenemen naar de volgende sprint."

archaïsch taalgebruik =

Slide 49 - Tekstslide

Archaïsch taalgebruik
Archaïsch taalgebruik is ouderwets taalgebruik. Het gaat om woorden, uitdrukkingen of grammaticale vormen die vroeger heel normaal waren, maar die we vandaag de dag eigenlijk niet meer gebruiken in het dagelijks leven.

bv. woorden zoals desalniettemin (ondanks dat), wederom (alweer), reeds (al), mogelijks (misschien)

Slide 50 - Tekstslide