Check Up: Klaar voor de toets! Preventieve Zorg blok 4 2526
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerpleegkundeHBOStudiejaar 2
In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Check Up: Klaar voor de toets! Preventieve Zorg blok 4 2526
Slide 1 - Tekstslide
Welke van de onderstaande termen is géén CanMeds rol?
A
Zorgverlener
B
Professional en kwaliteitsbevorderaar
C
Gespreksleider
Slide 2 - Quizvraag
Welk vaccin is géén onderdeel van het RVP?
Tekst
A
Rode hond
B
Bof
C
Corona Virus
Slide 3 - Quizvraag
Welk thema is géén gezondheidsdeterminant van Lalonde?
A
Leefstijl
B
Biologische factoren
C
Woon situatie
Slide 4 - Quizvraag
Voor wie is universele preventie?
A
Voor alle mensen
B
Voor kwetsbare groepen
C
Voor iedereen onder de 18 jaar
Slide 5 - Quizvraag
Waarvoor staat het ZAT?
A
Zeer alcoholische types
B
Zorg advies team
C
Zorg assistentie techniek
Slide 6 - Quizvraag
Wat is secundaire preventie?
A
Voorkomen van ziekte.
B
Voorkomen van complicaties en beperkingen en de zelfredzaamheid te vergroten.
C
Vroege opsporing en behandeling van ziekte in beginnend stadium om verergering te voorkomen.
Slide 7 - Quizvraag
Wat is verandertaal?
A
Uitspraken van een cliënt die gericht zijn op een veranderdoel, waarbij voor- en nadelen worden genoemd en de cliënt de intentie heeft om te veranderen.
B
De specifieke vaktermen die een hulpverlener gebruikt om een cliënt te overtuigen om ander gedrag te gaan vertonen.
C
Een gesprekstechniek waarbij de cliënt alleen nog maar over de positieve toekomst praat en het verleden volledig loslaat.
Slide 8 - Quizvraag
Welke situatie draagt het meest bij aan resistentievorming van bacteriën?
A
Antibiotica alleen gebruiken bij een bewezen bacteriële infectie en de kuur volledig afmaken.
B
Goede handhygiëne toepassen en wondverzorging correct uitvoeren.
C
Onjuist of overmatig gebruik van antibiotica, waardoor bacteriën ongevoelig worden voor behandeling.
Slide 9 - Quizvraag
Welke motivatie is autonoom?
A
Externe regulatie
B
Geïdentificeerde regulatie
C
Geïntrojecteerde regulatie
Slide 10 - Quizvraag
Welke psychologische basisbehoefte hoort in het rijtje: autonomie, competentie, ...
A
Verbondenheid
B
Zelfvertrouwen
C
Contact
Slide 11 - Quizvraag
Wat is de belangrijkste taak van een transferverpleegkundige?
A
Het verplaatsen van een zorgvrager binnen een zorginstelling.
B
Het organiseren van zorg bij de overgang naar een andere zorgsetting of thuissituatie.
C
Het werken op verschillende locaties binnen de zorgorganisatie.
Slide 12 - Quizvraag
Welke factor heeft volgens het model van Marc Lalonde de grootste invloed op gezondheid?
A
Alleen de gezondheidszorg
B
Leefstijl, omgeving, erfelijkheid en gezondheidszorg samen
C
Alleen erfelijkheid
Slide 13 - Quizvraag
Welke situatie past het beste bij het kluwenmodel binnen ketenzorg?
A
Verschillende disciplines leveren afzonderlijk zorg aan de patiënt, maar communiceren alleen via rapportages in het dossier.
B
De huisarts, wijkverpleegkundige, fysiotherapeut en mantelzorger stemmen regelmatig gezamenlijk af over doelen, behandeling en evaluatie van de zorg.
C
Eén zorgverlener coördineert de volledige zorg en raadpleegt en betrekt andere disciplines bij de zorg wanneer er medische problemen ontstaan.
Slide 14 - Quizvraag
Binnen welk preventieniveau valt risico op ondervoeding?
A
Primaire preventie
B
Secundaire preventie
C
Tertiaire preventie
Slide 15 - Quizvraag
Wat wordt bedoeld met antibioticaresistentie?
A
Antibiotica werken sneller tegen bacteriën
B
Bacteriën worden ongevoelig voor antibiotica
C
Het lichaam raakt verslaafd aan antibiotica
Slide 16 - Quizvraag
Welke ontwikkeling staat centraal binnen het Hoofdlijnenakkoord (HLO) voor de ouderenzorg?
A
Het centraliseren van ouderenzorg binnen verpleeghuizen om specialistische zorg efficiënter aan te bieden.
B
Het stimuleren van passende zorg, samenwerking in de regio en het langer zelfstandig thuis wonen van ouderen.
C
Het stimuleren van multidisciplinaire samenwerking om de werkdruk binnen de ouderenzorg te verlagen.
Slide 17 - Quizvraag
Welke uitspraak over seksuele gezondheid en de rol van de verpleegkundige Seksuele Gezondheid (VSG) is het meest juist?
A
SG richt zich voornamelijk op het voorkomen van soa’s en ongewenste zwangerschappen, waarbij de VSG vooral medische controles uitvoert.
B
SG omvat lichamelijk, psychisch en sociaal welzijn rondom seksualiteit, waarbij de VSG zich richt op preventie, voorlichting, begeleiding en vroeg signalering.
C
SG richt zich op lichamelijk en psychisch welzijn rondom seksualiteit, waarbij de VSG voornamelijk verantwoordelijk is voor behandeling van soa’s en medische klachten.
Slide 18 - Quizvraag
Wat zijn de basisbehoeften van de Self Determination Theory (SDT)?
A
Autonomie, Competentie en Verbondenheid
B
Autonomie, Omgeving en Kwaliteiten
C
Autonomie, Netwerk en Regulatie
Slide 19 - Quizvraag
Wat houdt de radarfunctie van Veilig Thuis in?
A
Verzamelen en verbinden van meldingen en signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.
B
Advies vragen voor iedereen die zich zorgen maakt om een kind of volwassene.
C
Een stappenplan en een afwegingskader voor professionals.
Slide 20 - Quizvraag
Wat valt onder primaire preventie?
A
Behandeling van chronische ziekten.
B
Gezondheidsbevordering om ziekte te voorkomen.
C
Revalidatie na ziekte.
Slide 21 - Quizvraag
Welke financieringsvorm past het beste bij de gehandicaptenzorg?
A
Zorgverzekeringswet (ZVW)
B
Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
C
Wet langdurige zorg (WLZ)
D
Jeugdwet
Slide 22 - Quizvraag
Wat wordt bedoeld met reablement?
A
Zorgvragers stimuleren om zo zelfstandig mogelijk te blijven.
B
Intensieve ziekenhuiszorg geven.
C
Alleen mantelzorg inzetten.
Slide 23 - Quizvraag
Welke van de volgende drie basisbehoeften staan centraal in de Self-Determination Theory?
A
Competentie, autonomie en verbondenheid
B
Macht, status en controle
C
Beloning, straf en motivatie
D
Intelligentie, geheugen en aandacht
Slide 24 - Quizvraag
Wat is het doel van preventieve zorg?
A
Alleen ziekten behandelen
B
Mensen meer regie geven over hun gezondheid
C
Meer ziekenhuisopnames creëren
Slide 25 - Quizvraag
Voor wie is consultatiebureau?
A
Alleen baby’s
B
Alleen ouders
C
Kinderen van 0-4 en hun ouders
Slide 26 - Quizvraag
Waar of niet waar: bij een venapunctie, mag je het buisje vaker gebruiken, als het de eerste keer niet lukt.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 27 - Quizvraag
Wat doe je als eerste bij een transfusiereactie?
A
De arts inschakelen
B
Een andere zak aanhangen
C
Transfusie z.s.m. stoppen
Slide 28 - Quizvraag
Wat is kenmerkend voor refeeding syndroom?
A
Verhoogde bloeddruk door overhydratie
B
Te snelle voedingstoediening na ondervoeding
C
Infectie door slechte hygiëne
D
Verstopping van de katheter
Slide 29 - Quizvraag
Wat is geen complicatie van een bloedtransfusie?
A
Allergische reactie
B
Overvulling
C
Diarree
Slide 30 - Quizvraag
Wat is geen activiteit van de verpleegkundige- seksuele gezondheid?
A
Medische diagnose stellen
B
PrEPzorg Spreekuren
C
Zwarte cross
Slide 31 - Quizvraag
Wat is geen niveau van gedrag?
A
Proximale determinanten
B
Distale determinanten
C
Netto determinanten
Slide 32 - Quizvraag
Wat is geen financieringswet?
A
WPG
B
WGBO
C
WMO
Slide 33 - Quizvraag
Wat is geen kenmerk van een van de zeven stappen van Covey?
A
Belangrijke zaken eerst
B
Blijf alert
C
Houd de zaag scherp
Slide 34 - Quizvraag
Welke wet richt zich op de ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie?
A
WMO
B
ZvW
C
WvGGZ
Slide 35 - Quizvraag
Noem een interventie die je kunt toepassen bij cardiovasculair risicomanagement met betrekking op lifestyle medicine?
A
Medicijnen
B
Meer verzadigde vetten en transvetten
C
Gewicht beheersen
Slide 36 - Quizvraag
Wat is CVRM?
A
Cardiovasculair risicomanagement
B
Centraal veiligheids- en risicomanagement
C
Cliëntgericht verpleegkundig risicomanagement
Slide 37 - Quizvraag
Onder welke vorm van preventie valt stoppen met roken?
A
Primair
B
Secundair
C
Tertiair
Slide 38 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van een wijkgerichte interventie?
A
Huisbezoeken
B
Valpreventieprogramma
C
Zorgmomenten inplannen
Slide 39 - Quizvraag
. Wat is een criteria voor een BRMO?
A
Het micro-organisme reageert op antibiotica
B
Het micro-organisme veroorzaakt ziekte, maar kan zich niet verspreiden
C
Het micro-organisme heeft resistentie die de therapie belemmert
Slide 40 - Quizvraag
Wat is IgA?
A
Een antistof, waarvan de productie langzamer op gang komt. Wordt in grote hoeveelheden gemaakt. Wijst op een besmetting ‘ooit’.
B
Een antistof, die vooral voorkomt in uitscheidingsproducten (maag, darm, speeksel, moedermelk)
C
Een Antistof, die vooral voorkomt op slijmvliesoppervlakken en die verantwoordelijk kan zijn voor allergische reacties.
Slide 41 - Quizvraag
Hoe vaak kan een Port-a-Cath circa aangeprikt worden voordat deze vervangen moet worden?
A
500 keer
B
1000 keer
C
1500 keer
Slide 42 - Quizvraag
Waarom kun je beter niet prikken in een hematoom?
A
Dit beïnvloedt de stolling van het bloed.
B
Dit beïnvloedt alle op eiwit gebaseerde bepalingen.
C
Je kunt in een hematoom geen ader vinden.
Slide 43 - Quizvraag
Wat moet je niet doen bij motiverende gespreksvoering?
A
Richting bepalen
B
Uitlokken
C
Adviseren
Slide 44 - Quizvraag
Met welke vorm van bloedafname begin je?
A
bloedkweek (lichtblauw)
B
Stollingsfactoren (rood/oranje)
C
glycolyseremmers (lichtgrijs)
Slide 45 - Quizvraag
Wat zijn de drie meest voorkomende SOA’s?
A
Chlamydia, Genitale wratten en Gonoroe
B
Chlamydia, Syphilis, Herpes
C
Genitale wratten, Herpes en Chlamydia
Slide 46 - Quizvraag
Welk van de volgende termen beschrijft de meest voorkomende waarde?