3V: Paragraaf 3.2 Waar vinden vragers en aanbieders elkaar? (2 lessen)

Planning
Pincode Hoofdstuk 3. Hoe werken markten?
  1. Wat is de vraag?
  2. Waar vinden vragers en aanbieders elkaar?
  3. Hoe werkt de markt?
  4. Wat speelt er op de arbeidsmarkt?

Toets H3: Markten + H6.2+H6.3+H7.4+H2.4: Overheid
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Planning
Pincode Hoofdstuk 3. Hoe werken markten?
  1. Wat is de vraag?
  2. Waar vinden vragers en aanbieders elkaar?
  3. Hoe werkt de markt?
  4. Wat speelt er op de arbeidsmarkt?

Toets H3: Markten + H6.2+H6.3+H7.4+H2.4: Overheid

Slide 1 - Tekstslide

Als de prijs van een product stijgt, dan daalt de vraag naar dat product. Wat gebeurt er met het aanbod van een product als de prijs van dat product stijgt?
het aanbod daalt
het aanbod blijft gelijk
het aanbod stijgt

Slide 2 - Poll

Verkoopbereidheid
Producenten reageren ook op veranderingen in de prijs, alleen dan tegenovergesteld

Deverkoopbereidheid is wat verkoper 
minimaal willen krijgen.

  • als de prijs stijgt, stijgt het aanbod
  • als de prijs daalt, daalt  het aanbod

Slide 3 - Tekstslide

Aanbodlijn
Een aanbodlijn geeft de verkoopbereidheid  weer.




Let op!
  • y-as = oorzaak = veranderende prijs (p)
  • x-as = gevolg = gevraagde hoeveelheid (q)


Slide 4 - Tekstslide

Aanbodfunctie





Voorbeeld
De aanbodfunctie van smartphones is qa = 0,3p - 25. 
Wat is de aangeboden hoeveelheid qa als de prijs € 350 is?, en wat als de prijs € 150 is?
  • bij een prijs van is € 350 de aangeboden hoeveelheid qa = 0,3 × € 350 - 25 = 80 stuks
  • bij een prijs van is € 150 de aangeboden hoeveelheid qa = 0,3 × € 150 - 25 = 20 stuks

Slide 5 - Tekstslide

Tekenen aanbodlijn

Stappenplan (van bijvoorbeeld de vraaglijn qa = 0,3p - 25):
1. bereken de prijs als qa = 0
  • 0 = 0,3p - 25 ⇒ -0,3p = -25 ⇒ p = -25 ÷ -0,3 ⇒ p = 83,33 ⇒ punt op de y-as (0; 83,33)
2. Bereken bij een hogere prijs dan stap 1 hoeveel er wordt aangeboden (bijv. p = 250)
  • qa = 0,3 x 250 - 25 ⇒ qa = 50                                                       ⇒  punt (50; 250)
3. teken een assenstelsel met op de y-as de prijs (p) en de x-as de aangeboden hoeveelheid (q)
4. teken de berekende punten in de grafiek en trek daartussen een rechte lijn

Opdracht: teken de aanbodlijn van de aanbodfunctie qa = 5p - 100 

Slide 6 - Tekstslide

Maken opgave 24 blz. 80
Klaar? Ga verder met 18 t/m 29
timer
8:00

Slide 7 - Tekstslide

Opgave 24 (aanbodlijn)

a. Teken de aanbodlijn van de vergelijking qa = 0,8p – 40. 
  • 1. bereken de prijs als qa = 0
  • 0 = 0,8p - 40 ⇒ -0,8p = -40 ⇒ p = -40 ÷ -0.8 ⇒ p = 50 ⇒ punt op de y-as (0, 50)
  • 2. Bereken bij een hogere prijs dan stap 1 hoeveel er wordt aangeboden (bijv. p = 100)
  • qa = 0,8 x 100 - 40 ⇒ qa = 40 ⇒ punt (40, 100)
  • 3. teken assenstelsel met op de y-as de prijs (p) en op de x-as de gevraagde hoeveelheid (q)
  • 4. teken de berekende punten in de grafiek en trek daartussen een rechte lijn
b. Hoeveel producten biedt een producent aan bij bovenstaande vergelijking als de prijs € 40 is?
  • qa = 0,8 x 40 - 40 ⇒ qa = -8 
  • dus er is geen producent die dit product aanbiedt voor een prijs van € 40!



Slide 8 - Tekstslide

Aanbodfactoren
De aanbodfactoren beïnvloeden het aanbod:
  
1. de prijs (verschuiving op de aanbodlijn, zie figuur 7)
2. andere aanbodfactoren (verschuiving van de aanbodlijn, zie figuur 8)
  • de kosten veranderen
  • de technologie verbetert

Slide 9 - Tekstslide

Wat gebeurt er met het aanbod van een product als de prijs ervan stijgt?
A
die daalt
B
die blijft gelijk
C
die stijgt

Slide 10 - Quizvraag

Wat geeft een aanbodlijn weer?
A
de kortingsbereidheid
B
de betalingsbereidheid
C
de koopbereidheid
D
de verkoopbereidheid

Slide 11 - Quizvraag

Wat staat er op de horizontale as (x-as) van de aanbodlijn (en ook van de vraaglijn)
A
de prijs
B
de hoeveelheid
C
de kosten
D
de omzet

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de oorzaak in een aanbodfunctie (en ook in een vraagfunctie)
A
de prijs
B
de hoeveelheid
C
de kosten
D
de omzet

Slide 13 - Quizvraag

De aanbodfunctie van appels is q = 900p - 100. Wat wordt het aanbod bij een prijs per appel van € 0,50.
A
150
B
250
C
350
D
450

Slide 14 - Quizvraag

Wat gebeurt er met de aanbodlijn van elektrische fietsen als de kosten van accu's stijgen?
A
verschuift naar links
B
verschuift naar rechts
C
daalt
D
niets

Slide 15 - Quizvraag

Wat gebeurt er met de aanbodlijn van chromebooks als de prijs ervan daalt?
A
verschuift naar links
B
verschuift naar rechts
C
daalt
D
niets

Slide 16 - Quizvraag

Aan de slag met:



Paragraaf 3.2: 18 t/m 29

Slide 17 - Tekstslide

Planning
Pincode Hoofdstuk 3. Hoe werken markten?
  1. Wat is de vraag?
  2. Waar vinden vragers en aanbieders elkaar?
  3. Hoe werkt de markt?
  4. Wat speelt er op de arbeidsmarkt?

Toets H3: Markten + H6.2+H6.3+H7.4+H2.4: Overheid

Slide 18 - Tekstslide

 (vraag en aanbod)
Kijkvragen:
1. wat gebeurt er met de prijs als het aanbod daalt? 
2. wat gebeurt er met de prijs als de vraag stijgt?
3. wat wordt er bedoeld met de loon-prijs spiraal?

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

(vraag en aanbod)
Kijkvragen:
1. wat gebeurt er met de prijs als het aanbod daalt? (kroon)
  • als aanbod ↓ ⇒ aanbodlijn verschuift naar links ⇒ prijs ↑
  • maar als aanbod ↑ ⇒ aanbodlijn verschuift naar rechts ⇒ prijs ↓
2. wat gebeurt er met de prijs als de vraag stijgt? (valentijnsdag)
  • als vraag ↑ ⇒ vraaglijn verschuift naar rechts ⇒ prijs ↑
  • maar als vraag ↓ ⇒ vraaglijn verschuift naar links ⇒ prijs ↓
3. wat wordt er bedoeld met de loon-prijs spiraal?
  • als de prijzen ↑ ⇒  vraag ↓ ⇒ prijzen ↓
  • maar als dan de lonen ↑ ⇒ vraag ↑ ⇒ prijzen ↑
  • loon-prijs spiraal: prijzen ↑ ⇒ lonen ↑ ⇒ prijzen ↑ ⇒ lonen ↑ ⇒ prijzen ↑ ⇒ lonen ↑ ⇒ prijzen ↑

Slide 21 - Tekstslide

Marktevenwicht
Het snijpunt van de vraag- en aanbodlijn is het marktevenwicht
Hierbij is de vraag gelijk aan het aanbod (qv = qa).

Bij dit marktevenwicht hoort:
- de evenwichtsprijs
- de evenwichtshoeveelheid.

Slide 22 - Tekstslide

Maken opgave 31 blz. 82
Klaar? Ga verder met 30 t/m 36
timer
8:00

Slide 23 - Tekstslide

Opgave 31 (marktevenwicht)

Bereken de evenwichtsprijs en -hoeveelheid van de vraaglijn qv = –1p + 10 en de aanbodlijn qa = 4p – 20. 
  • dus -1p + 10 = 4p -20    =>    -5p = -30     =>    p = 6    =>             evenwichtsprijs = € 6
  • p = 6 invullen in qv = -1p + 10    =>    q= -1 x 6 + 10    =>    qv = 4    => evenwichtshoeveelheid = 4 stuks



Slide 24 - Tekstslide

Vraag- of aanbodoverschot
Er kan tijdelijk een vraagoverschot of aanbodoverschot ontstaan. 
Uiteindelijk keert de markt weer terug naar een evenwichtsprijs.

Slide 25 - Tekstslide

Welke situatie doet zich voor in het marktevenwicht?
A
Qa < Qv
B
Qa = Qv
C
Qa > Qv
D
Qa ≠ Qc

Slide 26 - Quizvraag

De vraagfunctie van appels is Qv = -100p + 950 en
de aanbodfunctie van appels is Qa = 900p - 50.
Wat wordt de evenwichtsprijs?
A
€ 0,50
B
€ 1,00
C
€ 1,50
D
€ 1,75

Slide 27 - Quizvraag

De vraagfunctie van appels is Qv = -100p + 950 en
de aanbodfunctie van appels is Qa = 900p - 50.
Wat wordt de evenwichtshoeveelheid?
A
500 appels
B
750 appels
C
850 appels
D
900 appels

Slide 28 - Quizvraag

Er is sprake van een vraagoverschot als ...
A
de prijs onder de evenwichtsprijs ligt
B
de prijs boven de evenwichtsprijs ligt
C
als de vraag kleiner is dan het aanbod
D
als de vraag groter is dan het aanbod

Slide 29 - Quizvraag

Huiswerk volgende keer



Paragraaf 3.2: 18 t/m 36

Slide 30 - Tekstslide