In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 20 min
Onderdelen in deze les
Stock & Supplies
Slide 1 - Tekstslide
Logistiek betekent
A
dat alles in het bedrijf op tijd gebeurt
B
voorraad bijhouden
C
spullen vervoeren
D
zo goedkoop mogelijk inkopen
Slide 2 - Quizvraag
Welk magazijn is duurder in gebruik
A
Open magazijn
B
Gesloten magazijn
Slide 3 - Quizvraag
Wat is het voordeel van een extern magazijn?
A
Vaak een kleinere ruimte
B
Ligt vaak centraal gelegen in een stad
C
Ligt vaak een op een goedkope locatie
D
Je kunt direct bij je goederen
Slide 4 - Quizvraag
Functies van een magazijn zijn:
A
Ontvangst en verzending van goederen
B
Opslaan van goederen
C
Opslaan en verzenden van goederen
D
Ontvangst, opslag en verzenden van goederen
Slide 5 - Quizvraag
Welk van het volgende interne transport- of hulpmiddel heb je nodig voor het verplaatsen van een zware kast?
A
Dolly
B
Steekwagen
C
Rolcontainer
D
Pompwagen
Slide 6 - Quizvraag
Als je goederen controleert of de goederen niet over datum zijn dan spreken we over een....
A
Kwalitatieve controle
B
Kwantitatieve controle
Slide 7 - Quizvraag
Bij welke datum kun je het product nog gewoon gebruiken ook al is de datum verstreken.
A
TGT
B
THT
Slide 8 - Quizvraag
Wat is een winkeldochter?
A
Producten die kapot zijn
B
Producten die uit de mode zijn
C
Kinderen van de eigenaar die in de winkel werken
D
Dochter van de eigenaar
Slide 9 - Quizvraag
Wanneer je een doos met wijn flessen uit je handen laat glippen/ vallen dan spreken we over
A
Criminele derving
B
Niet criminele derving
Slide 10 - Quizvraag
Het fifo systeem betekent dat...
A
Je de nieuwe goederen het eerste verkoop
B
Je de oude goederen het eerste verkoop
Slide 11 - Quizvraag
Je ontvangt 5 dozen. In elke doos zitten 2 trays met 12 blikjes cola. Hoeveel colli heb ik ontvangen
A
5
B
10
C
19
D
120
Slide 12 - Quizvraag
Uit hoeveel vellen bestaat een vrachtbrief? Noteer enkel het aantal
Slide 13 - Open vraag
Als een product in backorder is dan kun je dat zien op de .....
A
Bestelbon
B
Orderbevestiging
C
Pakbon
D
Factuur
Slide 14 - Quizvraag
Door wie wordt een retourbon ingevuld
A
Door de leverancier
B
Door de klant
C
Door de vervoerder
Slide 15 - Quizvraag
Welke vorm van orderpicken kost de minste voorbereiding
A
Eén orderpicker verzamelt één order
B
Eén orderpicker verzamelt meerdere orders
C
Meerdere orderpickers verzamelen één order
D
Meerdere orderpicker verzamelen meerdere orders
Slide 16 - Quizvraag
Bij het verzenden van een TV kun je het beste ..... als opvulmateriaal gebruiken
A
Opvulpapier
B
Schuimkorrels/ opvulchips
C
Luchtkussens
D
Schokwerende kussentjes en schuimplaten
Slide 17 - Quizvraag
Bij een franco verzending worden de verzendkosten betaald door ....
A
de leverancier
B
de klant
C
de vervoerder
D
de overheid
Slide 18 - Quizvraag
Je verkoopt 5 t-shirts per dag en de levertijd is 8 dagen hoeveel bedraagt de minimum voorraad
A
5
B
8
C
13
D
40
Slide 19 - Quizvraag
De voorraadkosten bestaan uit de 3 R's Welk van onderstaande kosten is GEEN R van de voorraadkosten.
A
Rentekosten
B
Ruimtekosten
C
Retourkosten
D
Risicokosten
Slide 20 - Quizvraag
De goederen die in het magazijn liggen noemen we de
A
Economische voorraad
B
Technische voorraad
Slide 21 - Quizvraag
Optimale bestelhoeveelheid is de hoeveelheid te bestellen producten waarbij de voorraadkosten en bestelkosten het laagste zijn
A
Juist
B
Onjuist
Slide 22 - Quizvraag
De voorraad is als volgt: 1-1-25 € 30.000 1-7-25 € 60.000 31-12-25 € 45.000 Bereken de gemiddelde voorraad in 2025 Noteer je antwoord als heel getal zonder euroteken, punt of komma