inversie en voegwoorden

inversie en voegwoorden
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

inversie en voegwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Programma 11-2-2026:
Spreekoefening in de voltooide tijd.
Schrijfoefening in de voltooide tijd.

Herhaling inversie.
Herhaling werkblad 4.4a.
Voegwoorden.
Werken uit het boek.

Slide 2 - Tekstslide

Waar of niet waar?
Je zegt drie zinnen in de voltooide tijd.
Twee zinnen zijn waar. Eén zin is niet waar. De ander moet raden welke zin niet waar is.

Voorbeeld:
Ik heb een zeehond buiten gezien.  
Ik heb een adelaar buiten gezien.
Ik heb een beer buiten gezien.

Welke zin is niet waar?



Slide 3 - Tekstslide

Spreekoefening in de voltooide tijd
                                              Ik heb nog nooit..............
Wie het wel heeft gedaan steekt zijn hand op en zegt één zin in de voltooide tijd.

Voorbeeld: 
Cursist A: Ik heb nog nooit in het buitenland gewerkt.
Cursist B: Ik heb dat wel gedaan!

Slide 4 - Tekstslide

Spreekoefening in de voltooide tijd
             We gaan drie verhalen vertellen in de voltooide tijd.                                 
1.  Ik heb een probleem gehad..........
2. Ik heb iets ontdekt.........
3. Ik heb iets verloren.........



Slide 5 - Tekstslide

Schrijfopdracht
Schrijf een e-mail aan je vriend(in).
Gebruik de voltooide tijd om te beschrijven wat er is veranderd:

A. Je hebt een nieuwe woning. 
Voorbeeld: Ik ben verhuisd naar een nieuwe woning. Ik heb nu........

B. Je hebt een nieuwe baan.
Voorbeeld: Ik ben begonnen met een nieuwe baan. Ik heb andere ........

Slide 6 - Tekstslide

Herhaling inversie

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Welke zin is goed?
A
Gisteren ik liep om 3 uur naar huis.
B
Gisteren liep ik om 3 uur naar huis.
C
Gisteren liepen ik om 3 uur naar huis.
D
Gisteren naar huis liep ik om 3 uur.

Slide 9 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
De les begint hoe laat op maandag?
B
Hoe laat de les begint op maandag?
C
Hoe laat begint de les op maandag?
D
Begint de les op maandag in hoe laat?

Slide 10 - Quizvraag

Werkblad A tot Zin:
4.4a +b +c

Slide 11 - Tekstslide

Je gaat schrijven over wat je vandaag doet of wat je gaat doen.
Begin een zin met: Vandaag.........

Slide 12 - Open vraag

Schrijf nu je tweede zin.
Begin met: Eerst.....

Slide 13 - Open vraag

Ga verder met zin drie: Daarna.....

Slide 14 - Open vraag

Schrijf nu de laatste zin. Begin met: Ten slotte........

Slide 15 - Open vraag

Welke woordsoort zijn de woorden: en, maar, want, dus, of?
A
lidwoorden
B
vraagwoorden
C
voegwoorden
D
plaatsbepalingen

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent: maar?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 17 - Quizvraag

Wat betekent: want?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent: of?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent: dus?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 20 - Quizvraag

Het regent hard buiten, ............ ik neem mijn paraplu mee.
A
of
B
want
C
dus

Slide 21 - Quizvraag

Het regent hard buiten, ............ ik ga toch buiten wandelen.
A
maar
B
want
C
dus
D
of

Slide 22 - Quizvraag

Het regent buiten ..... het is droog.
A
maar
B
want
C
dus
D
of

Slide 23 - Quizvraag

Ik ren snel naar de bus, ............ ik ben te laat van huis vertrokken.
A
maar
B
want
C
of

Slide 24 - Quizvraag

De bus is al vertrokken ...... ik ga lopen.
A
of
B
want
C
dus

Slide 25 - Quizvraag

welke zin is goed?
A
Ik koop een broodje, want honger ik heb.
B
Ik koop een broodje, want ik heb honger.
C
Ik koop een broodje, maar ik heb honger.
D
Ik koop een broodje, maar honger ik heb.

Slide 26 - Quizvraag

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll