Quiz h8

Quiz h8
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Quiz h8

Slide 1 - Tekstslide

Wat is geen kenmerk van een ontwikkelingsland?
A
ondervoeding
B
analfabetisme
C
ongelijke inkomensverdeling
D
hoog nationaal inkomen per hoofd van de bevolking

Slide 2 - Quizvraag

Inkomen per hoofd van de bevolking 
Noodhulp
Ontwikkelingslanden
Structurele hulp
De oorzaak van het ene probleem is een gevol van een ander probleem. Met hulp van buitenaf kan het worden doorbroken.
Landen met een grote economische achterstand op rijke westerse landen
Hulp in noodsituaties, zoals geven van voedsel, medicijnen. Met als doel op korte termijn de mensen te laten overleven
Vicieuze cirkel
Hulp aan ontwikkelingslanden om de oorzaken van armoede te bestrijven en de landen economisch zelfstandig te maken. Deze hulp is gericht op lange termijn
Het gemiddelde inkomen per inwoner van een land

Slide 3 - Sleepvraag

In ontwikkelingslanden zijn veel mensen arm. Zij zitten in een vicieuze cirkel, waardoor het voor hen lastig is om aan die armoede te ontsnappen. Sleep de omschrijvingen naar de juiste stappen, zodat ze in de goede volgorde komen te staan.
Doen ongeschoold werk
Geen geld voor onderwijs
Laag inkomen

Slide 4 - Sleepvraag

fairtrade
geen fairtrade

Slide 5 - Sleepvraag

Het afgelopen jaar steeg de prijs van cacao van 0,40 naar 0,70 per kg. Met hoeveel procent is de prijs gestegen? Noteer alleen je antwoord

Slide 6 - Open vraag

<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">Noodhulp?</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">structurele hulp?</span>

Slide 7 - Sleepvraag

Mali heeft een monocultuur. Wat is het kenmerk van een monocultuur
A
De export brengt maar weinig geld op
B
De export is extra gevoelig voor prijsschommelingen
C
De import is extra gevoelig voor prijsschommelingen
D
De import kost veel geld

Slide 8 - Quizvraag

Waarom is een monocultuur nadelig voor een land?
A
De toegevoegde waarde van grondstoffen is laag
B
De prijs hangt af van de wereldmarktprijs
C
Als de oogst mislukt, dalen de exportinkomsten sterk
D
De wereldwijde vraag kan instorten

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de secundaire sector?
A
Industrie
B
Diensten
C
Landbouw
D
Commerciële dienstverlening

Slide 10 - Quizvraag

Kenmerken voor een ontwikkelingsland zijn
A
Laag inkomen per hoofd van de bevolking
B
Goede scholing
C
Lage bevolkingsgroei
D
Hoge koopkracht

Slide 11 - Quizvraag

Aantal inwoners: 15 miljoen
Nationaal inkomen: 435 miljard euro
Noteer alleen je antwoord in getallen

Slide 12 - Open vraag

Welke lijn geeft de inkomensverdeling aan in een ontwikkelingsland
A
Groen
B
Blauw
C
Rood

Slide 13 - Quizvraag

Organisatie die boeren in ontwikkelingslanden helpt door ze een eerlijke prijs voor hun producten te bieden.<br>
Afspraken tussen landen die bedoeld zijn om de prijzen van bepaalde grondstoffen stabiel te houden.<br>
Een kleine lening die verstrekt wordt aan kleine ondernemers in ontwikkelingslanden die niet kunnen lenen bij traditionele banken.<br>
Een organisatie die ernaar streeft om de vrijhandel in de wereld te bevorderen.<br>
Grondstoffenovereenkomst
Microkrediet
Wereld handelsorganisatie (WTO)
Fairtrade

Slide 14 - Sleepvraag

Als handelaren de wereldmarktprijs willen verhogen, zullen zij de buffervoorraden  

Hierdoor zal  
op de wereldmarkt van cacao gaan
en daardoor zal de wereldmarktprijs van cacao stijgen.
vergroten
verkleinen
het aanbod
de vraag
dalen
stijgen

Slide 15 - Sleepvraag

Mensen in ontwikkelingslanden werken het vaakst in de volgende sector
A
Primaire sector
B
Secundaire sector
C
Tertiaire sector
D
Quartiaire sector

Slide 16 - Quizvraag

Een probleem in Afrika is corruptie.
Wat is corruptie ?
A
omkoping
B
veel oorlogen
C
weinig geld
D
bedreigd worden

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de Europese Unie?
A
De munt eenheid waar wij mee betalen.
B
Een organisatie van 27 Europese landen die nauw met elkaar samen werken.
C
Alle landen van de wereld die samen werken voor handel.
D
Nederland, België en Luxemburg

Slide 18 - Quizvraag

De Europese Unie heeft een ............................markt
A
unieke
B
interne
C
externe
D
import

Slide 19 - Quizvraag

Spullen kopen uit Polen
Open economie
Gesloten economie
Geen invoerrechten
Lid van de EMU

Slide 20 - Sleepvraag

Vrij verkeer van goederen en diensten
Vrij verkeer van personen
Vrij verkeer van kapitaal
Je gaat in België op vakantie
Je gaat in Duitsland werken
Je spaart je geld bij een bank in Spanje
Je importeert wijn uit Frankrijk

Slide 21 - Sleepvraag

Alle lidstaten van de Europese Unie behoren tot de Europese Monetaire Unie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen de Europese Unie en de Europese Monetaire Unie?
A
De Europese Unie regelt de euro.
B
De Europese Unie is een politieke samenwerking.
C
De Europese Monetaire Unie is een politieke samenwerking.
D
De Europese Monetaire Unie regelt de euro.

Slide 23 - Quizvraag

Wat zijn protectiemaatregelen?
A
Overheid beschermt de eigen economie
B
de overheid beschermt de economie van een ander land
C
overheid vergoed beschermingsmaatregelen
D
overheid belast beschermingsmaatregelen

Slide 24 - Quizvraag

Welk protectiemaatregel hoort bij het volgende voorbeeld:
Een bedrijf dat kleren importeert uit Laos, betaalt een import heffing van 18%
A
contingentering
B
exportsubsidie
C
invoerrechten
D
exportverbod

Slide 25 - Quizvraag

Welk protectiemaatregel hoort bij het volgende voorbeeld:
Een Nederlandse boer krijgt geld van de overheid als hij groente naar Azie exporteert.
A
contingentering
B
exportsubsidie
C
invoerrechten

Slide 26 - Quizvraag

Welk protectiemaatregel hoort bij het volgende voorbeeld:
Action mag geen Chinees speelgoed meer kopen. Het maximum is bereikt.
A
contingentering
B
exportsubsidie
C
invoerrechten

Slide 27 - Quizvraag

Frankrijk heeft een nationaal inkomen van 870 miljard euro.
De uitvoerwaarde is 560 miljard euro.
De invoerwaarde is 450 miljard euro.
Bereken de importquote
Noteer alleen je eindantwoord op 1 decimaal

Slide 28 - Open vraag

Globalisering is:
A
Als dieren en bedrijven wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden zijn
B
Als mensen en dieren wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden zijn
C
Als landen en dieren wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden zijn
D
Als mensen en bedrijven wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden zijn

Slide 29 - Quizvraag

Wat is een nadeel van globalisering?
A
Internationale arbeidsverdeling
B
Technologische ontwikkelingen
C
Wegtrekkende werkgelegenheid
D
Wegvallen van handelsbelemmeringen

Slide 30 - Quizvraag

Internationale concurrentiepositie is:
A
Goedkoper produceren dan andere landen
B
Sneller te kunnen produceren.
C
Beter en goedkoper te kunnen produceren dan andere landen
D
Een slechte zaak

Slide 31 - Quizvraag

Waarmee heeft Nederland een goede internationale concurrentiepositie?
A
auto’s bouwen
B
dijken bouwen
C
vliegtuigen bouwen
D
wolkenkrabbers bouwen

Slide 32 - Quizvraag

Hoe goed snap je de stof van H8
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll